Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren. Het is „tjedoek, tjedoek" als hij neerstrijkt in zijn den, vol rijpe kegels, hij roept alweer, als hij een dikkert gaat afplukken, roepend vliegt hij er mee weg en later proclameert hij alweer, dat het hem gelukt is, den kegel vast te klemmen in de schorsspleten van zijn eetboom. Al dien tijd is er geen andere specht te bekennen; hij monologiseert alleen voor zichzelf. Het goudhaantje doet hetzelfde en nog in sterker mate; ik heb in December een eenzaam vogeltje in mijn sparren aangetroffen, dat aanvankelijk de gewone lokroepen liet hooren, maar allengs verviel in een druk en aaneengeschakeld gezang, dat nog heel wat andere motieven bevatte dan de liefdezang van den paartijd. Zoo zingt ook de Vlaamsche gaai bij een overvloed van eikels en de vink in November als de grond vol ligt met beukenootjes.

Maar om op die nestjongen terug te komen, hun bestaan is niet een en al honger en verscheidene zijn er, die reeds in het nest gelegenheid vinden, om den zang te beoefenen. Het is bekend, dat de jonge ooievaars al klepperen op het nest. Maar ik heb ook de nestjongen van zanglijster, Vlaamsche Gaai, Grauwe klauwier en rietzanger hooren zingen twee tot drie dagen, voordat zij uitvlogen en ongetwijfeld zijn er wel meer, die het doen, alleen is het niet gemakkelijk en nog al tijdroovend, om hieromtrent observaties te verzamelen.

Gedurende den trek wordt veel gezongen en geroepen. Het laatste is natuurlijk van groot belang voor het bijeenhouden van den troep en het vinden van den weg, het eerste mag beschouwd worden als uiting van levenskracht en levenslust, van hooggestemdheid. Bovenaan staan in dit opzicht alweer de kraaien en met hen de ruiters en strandloopers. Ook de spreeuwen staan in dit opzicht zeer hoog, zij zingen en joelen voortdurend, als zij strijken door de aan bessen zoo rijke duinvalleien en ook wanneer zij 's avonds hun rustplaatsen opzoeken in de elzenboschjes of in het riet. Een zeer bijzondere vermelding verdienen hier ook de kneutjes, die al trekkende vaak buitengewoon mooi en aanhoudend zingen onder het vliegen en de boomleeuwerikken, die op zonnige Octoberdagen als brokjes gezang zuidwaarts zweven door ons duin. En al deze vogels met nog veel andere zingen ook, wanneer ze uren lang hun waanzinnige rondvlucht volhouden rondom het draailicht van den Brandaris. Dat angst en boosheid, spanning en vooral ontspanning aanleiding kunnen zijn tot hartstochtelijk en zelfs zeer langdurig gezang blijkt 's winters gedurig bij het onderling verkeer van winterkoninkjes en roodborstjes met katten, ratten, hermelijnen en wezels en ook bij het invallen van dooi na strenge vorst of sneeuwstormen. Intusschen gaat dan in Januari reeds stellig het erotisch moment meetellen.

Ik vraag mij af, of het toeval is, dat de hierboven genoemde zingende nestjongen: Zanglijster, Vlaamsche Gaai, Grauwe Klauwier en Rietzanger meteen meetellen onder de knapste nabootsers. Het zou dan zaak zijn, om te onderzoeken of de Spreeuw, de Spotvogel en het Blauwborstje ook van die vroeg-zingende jongen hebben. Nabootsing komt bij een zeer groot aantal vogels voor, behalve dit zevental kunnen we nog noemen de roodstaart, roodborst, merel, groote lijster, de leeuwerik, boomklever, nachtegaal, de grasmusch en al de leden van de kraaienfamilie, waarin dan op de Vlaamsche gaai de notekraker moet volgen. Charles Witchell heeft in zijn Evolution of Bird-song zeer veel aandacht geschonken aan imitatie en Stadler en Schmitt hebben in het „Reichenow-Festschrift" zeer terecht gewezen op de omstandigheid, dat veel van wat wij als imitatie waarnemen, een secundair verschijnsel is, n. 1. dat de jonge vogels de nagebootste geluiden niet van de oorspronkelijke virtuosen, maar van hun eigen ouders of kornuiten hebben overgenomen. Zij vergelijken dan de imitatie-geluiden met de vreemde woorden, die gangbaar geworden zijn in onze taal en die gebruikt worden door lieden, die de vreemde taal zelve wellicht nooit gehoord hebben. Stellig komt dit voor, maar even zeker is het, dat wij dikwijls genoeg de gelegenheid vinden, om waar te nemen, dat een imitator een voor hem nieuw geluid direct overneemt van de oorspronkelijke bron of dat hij imiteerend reageert op het oorspronkelijk geluid. Zoo kan men den zanglijster zijn zang hooren onderbreken, om een voorbijvliegende wulp te begroeten, en zoo heb ik een roodstaartje aanhoudend en onverstoorbaar een schildvink hooren beantwoorden. Spreeuw en Vlaamsche gaai zijn zeer bekwaam in het nabootsen van andere

16

Sluiten