Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Gymnodinium, die in het voorjaar 1917 tamelijk algemeen in het Abcouder Meer voorkwam, heb ik gemeend tot deze soort te moeten brengen, want, ook al wijkt zij in sommige opzichten af van de tot dusver gepubliceerde beschrijvingen, toch vertoont zij met geen andere soort grooter overeenkomst. Alleen is bij mijn exemplaren het lichaam meer gestrekt en loopt de overlangsche groeve iets minder ver door op het apikale gedeelte, dan op de afbeelding van Pénard (cf. in het bijzonder fig. 9). Na de deeling nog samenhangende individuen heb ik bij herhaling gezien; bij geen andere soort schijnen zulke paartjes zoo regelmatig voor te komen.

Vol gens Penard is deze Gymnodinium, dien hij als een variëteit van de veel grootere en geheel anders gebouwde G. mirabile Pénard beschouwt, 45 p lang en 40 breed — nadert dus meer den bolvorm dan de door mij gevonden exemplaren.

Evenals bij de voorafgaande soort ontstaat bij afstervende exemplaren een geleiachtig omhulsel, dat het geheele lichaam met een doorschijnende, slechts enkele ^ dikke laag bedekt.

(In gezelschap van dezen Gymnodinium vond ik in het Abcouder Meer nog een andere, die groote overeenkomst had met G. Zachariasi Lemm. Daar de enkele exemplaren, die ik kon onderzoeken, niet toelieten de soort met zekerheid te bepalen, vermeld ik haar hier slechts voorloopig).

3. G. meervalli nov. spec. ').

Lichaam lang omgekeerdtolvormig, in dwarsdoorsnede bijna rond, ventraal iets afgeplat. Antapikale gedeelte kleiner dan het apikale, laag-kegelvormig met spitsen punt, vaak met

een stekelpuntje, antapikale helft hoog-kegelformig met stompen, eenigszins bewegelijken top. Dwarsgroeve diep, duidelijk linkswindend, overlangsche groeve weinig diep, onduidelijk, zich uitstrekkend als een vlakke, bijna lijnvormige gleuf tot ongeveer op de helft van het apikale deel. Chromatoforen ontbreken, in de plaats daarvan kleine, ronde, kleurlooze korrels (leukoplasten ?) in het perifere protoplasma, kern groot, in het apikale gedeelte, stigma groot, helder-karmijnrood. De grootste rechterhelft van het antapikale gedeelte donker-paarsbruin gekleurd. — Figuur 1 en 2.

Gymnodinium meervalli nov. spec. Lengte : 40—42 jU, breedte 22 24 /U.

Fig. i. Een individu van de rugzijde ge- Vindplaatsen: Langweerder Wielen, Tjeukemeer. Centri-

zien met eenigszins ingedeukten apex en

stekelpuntje aan den antapex. — Fig. 2. Een luge-piankton. ander individu van de buikzijde gezien, zonder duidelijk stekelpuntje. — Verg. 820.

Deze fraaie en zeer kennelijke, tot dusverre nog niet beschreven soort heeft eenige overeenkomst met de door Pénard (7) in het meer van Genève ontdekte Gymnodinium helveticum, doch onderscheidt zich daarvan voornamelijk door haar kleur, het bezit van een stigma en het gemis van de drie spitsen op den antapex.

Bij G. helveticum „le corps tout entier est d'une rose fleur de pêcher, tres claire mais normale" (1. c. blz. 59). Mijn nieuwe Gymnodinium heeft een eenigszins grauwe kleur met uitzondering van het rechter gedeelte der achterhelft (zie fig.), dat donker-paarsbruin, soms eenigszins vuilbruin gekleurd is. De grauwe tint wordt veroorzaakt door talrijke kleine korreltjes, die bij een zwakke vergrooting den indruk maken van pigmentvlekjes, die over het geheele lichaam verspreid zijn. Waardoor de donkerbruine kleur veroorzaakt wordt, kan ik niet met zekerheid zeggen. Kleurstofiichamen zijn er niet; veeleer lijkt het, alsof zich onder de oppervlakkige protoplasmalaag een amorfe kleurstof heeft opgehoopt. Drukt men de cel stuk of laat men haar in verdunde glycerine uiteengaan, dan blijft het donkerbruin gekleurde als een los samenhangende massa bestaan, waarin geen structuur valt waar te nemen. De eigen-

1) Aldus genoemd naar ons drijvend laboratorium, de „Meerval".

*

Sluiten