Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardige verdeeling van licht en donker maakt, dat deze soort ook met zwakke vergrooting reeds gemakkelijk herkend wordt.

Vervolgens bezit deze Gymnodinium een fraai, langwerpig, helder-karmijnrood stigma aan de buikzijde op de plaats, waar de overlangsche en dwarsgroeve samenkomen (zie fig. 2), terwijl Pénard van zijn soort uitdrukkelijk vermeldt: „la tache oculaire n'existe pas" (1. c. blz. 59).

Eindelijk beschrijft Pénard bij zijn soort, sprekende over den vorm van het antapikale gedeelte: „autour de la pointe centrale un petit reliëf circulaire, qui se présente k gauche et k droite comme une pointe" (1. c. blz. 58, noot), — er is dus eigenlijk maar één punt. Bij mijn Gymnodinium is de punt van het antapikale gedeelte spits en geenszins door zulk een walletje omgeven. Daarentegen vond ik dikwijls, nu eens meer, dan weer minder duidelijk, een klein hyalien stekelpuntje (zie fig. 1), "soms flauw gebogen, maar altijd precies op den top van het antapikale gedeelte.

Zeer karakteristiek voor deze soort is het voorste uiteinde, dat soms eenigszins ingedeukt schijnt, een geringe maar duidelijke bewegelijkheid bezit en onder het zwemmen nu eens eenigszins gekromd, dan weer recht is. Ook bij stilliggende individuen kan de beweging van den top worden waargenomen, en het maakt den indruk alsof het dier er mee tast. De voortbeweging is gelijkmatig, tegelijkertijd schommelend en tollend, zooals bij vele Flagellaten. Het overlangsche flagellum is fijn, maar niet buitengewoon lang, het dwarsflagellum verraadt zijn aanwezigheid op de gewone manier, n.1. door golvende trilling in de dwarsgroeve.

Evenals G. helveticum is deze soort gekenmerkt door het gemis van chromatoforen: zij neemt derhalve reeds gevormd voedsel tot zich. Waaruit dit bestaat heb ik niet met zekerheid kunnen uitmaken, aangezien de door mij onderzochte exemplaren, slechts onherkenbare voedselresten bevatten.

Ik vond deze soort tot dusver alleen in Friesland en wel het eerst in Augustus in de Langweerder Wielen, later ook in het Tjeukemeer, in het centrifuge-plankton, op diepten van 0.5 tot ongeveer 2.0 M., regelmatig doch nooit zeer talrijk, n.1. 3—5 exemplaren per 10 cM3 water.

(Bij de vergelijking van mijn figuren met die van Pénard met name pl. V, figg. 10, 11, 13, dient men in het oog te houden, dat Pénard de gewoonte heeft, zijn Peridineeën het onderste boven af te beelden! Vandaar dat de spitse voorhelft, het deel dat bij de voortbeweging naar voren is gericht, in de genoemde figuren van G. helveticum naar beneden geteekend is. Pénard houdt, natuurlijk, desniettegenstaande apikale en antapikale helft goed uit elkaar, maar zoowel Lemmermann (4), als Schilling (10), die beiden figuren van G. helveticum reproduceeren in den stand waarin Pénard ze oorspronkelijk gaf, houden met deze bijzonderheid geen rekening, maar beschrijven de antapikale helft als het voorste, de apikale helft als het achterste gedeelte van G. helveticuml Hun beschrijvingen zijn derhalve verward en gedeeltelijk onjuist. Soortgelijke slordigheden komen vooral in het boekje van Schilling bij herhaling voor en verminderen de bruikbaarheid er van in niet geringe mate).

GLENOIHrVIUM

4. G. edax Schilt.

Ber. deutsch. bot. Gesellsch. IX, 1891, blz. 206, pl. X, figg. 23—24.

Lichaam bijna bolvormig, doch iets minder hoog dan breed, in dwarsdoorsnede rond. Apikale helft stomp-kegelvormig, grooter dan het bijna halfbolvormige antapikale deel. Dwarsgroeve zwak linkswindend, overlangsche groeve ver naar achteren loopend, niet op cle voorste lichaamshelft overgaand. Chromatoforen ontbreken, in de plaats daarvan komen niet zeer talrijke, heldere korrels voor (leukoplasten?), kern groot, in cle achterste lichaamshelft, geen stigma.

Lengte: 24—26 /u, breedte: 26—28

Vindplaats: Langweerder Wielen. Centrifuge-plankton.

-17

Sluiten