Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar ik deze soort tot dusverre alleen in geconserveerden toestand heb onderzocht kan ik omtrent kleur en vorm der chromatoforen, de ligging van den kern en het al of niet voorkomen van een stigma niets met zekerheid mededeelen. Mijn exemplaren waren kleiner, dan die van Huitfeldt-Kaas, die 52 ju voor de lengte en 44 ju voor de breedte opgeeft, doch iets grooter dan de door Zacharias gevondene, die 42 ju lang en 33 ju breed waren (Zacharias 12, blz. 210).

11. P. marssonii Lemm.

Ber. deutsch. bot. Gesellsch. XVIII, 1900, blz. 28.

Lichaam bijna bolvormig, dorsoventraal eenigszins afgeplat. Beide lichaamshelften nagenoeg even groot, de voorste iets kegelvormig, de achterste meer rond. Het pantser der voorste helft is sterk asymmetrisch en bestaat uit slechts 11 platen, n.1. 7 prae-aequatoriale, 1 naar links geschoven ruitvormige en 3 apikale platen: het pantser van de achterste lichaamshelft bestaat als gewoonlijk uit 7 platen, waarvan de linker antapikale iets grooter is dan de rechter. De platen zijn konkaaf, waardoor het lichaam ingedeukt lijkt, en hebben hooge randen, die dicht met fijne stekeltjes bezet zijn. De ribben zijn tamelijk breed. De dwarsgroeve is duidelijk linkswindend, de overlangsche groeve begint even op de voorste lichaamshelft en loopt iets verbreed met gladde randen tot ver naar achteren door.

Vindplaats: Zwanenwater bij Callantsoog. Netplankton, Maart, zeldzaam.

Van deze gemakkelijk te herkennen soort vond ik tot dusverre slechts een exemplaar in het Zwanenwater, dat ik evenwel verzuimde te meten. Volgens Lemmermann (1. c.) bedraagt de lengte: 47—50 ju, de breedte: 40—42 ju.

12? P. latum Paulsen

Nordisches Plankton, XVIII, 1908, blz. 41, fig. 48. Sijn.- Glenodinium acutum Apstein.

Süsswasserplankton, 1896, blz. 152, tig. 54. Diplopsalis acuta Entr. fil.

Res. wiss. Erf. Balatonsee, II, 1, blz. 12, fig. 5 a—r.

Een Peridiniurn, die in zijn geheelen habitus de grootste overeenkomst had met de hierboven genoemde soort, komt in het najaar vrij veel in het Alkmaarder Meer (brak water!) voor. Daar ik hiervan tot dusver echter alleen gefixeerd materiaal kon onderzoeken en deze niet de chocoladebruine kleur bezaten, die als kenmerkend voor deze soort wordt opgegeven, ben ik nog niet geheel zeker van de juistheid mijner determinatie en vermeld ik haar hier slechts onder voorbehoud.

DIPLOPSALIS

13. D. spec.

Een kleurlooze DipIopsalis-sooTt, 37—40 ju lang, 40—43 u breed, ± 35 ju dik (figuur 5

cu u) uie zoowei met u. caspica Ustenl. als met JU. pillula Ostenf. véél overeenkomst vertoont, komt des zomers in sommige Priesche meren (Langweerder Wielen, Tjeukemeer) tamelijk veel voor. Van de eerstgenoemde soort verschilt zij o. a. door de ver naar achteren loopende overlangsche groeve met sterk

ontwikkelden linker randvleugel, die met zijn eenigs- Dipiopsaiis spec.

zins gekromd uiteinde tot voorbij den antapex uit- T1*--*'^ indiTi^u 7a°,d?™gzij<kg™<*.-Fig.6.Een

° J jy^-a lixu ander individu van de buikzijde gezien. — Verg. 500.

steekt. Van de laatstgenoemde soort, waar deze vleugel ook sterk ontwikkeld is, verschilt zij door haar meer afgeplatte, tolvormige gedaante en door haar grooter afmeting. Daar het mij tot dusverre nog niet gelukt is, de moeilijk

Sluiten