Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarneembare struktuur van het pantser met alle zekerheid vast te stellen, moge deze soort hier voorloopig onbenoemd blijven.

CERATIUM

14. C. hirundinella (O. F. M.) Schrank.

Briefe nat. phys. ökon. Inhalts, 1802, blz. 375. Syn. Bursaria hirundinella O. F. Müller. Anim. kif., blz. 117, pl. XVII, figg. 9—12.

Lichaam dorsoventraal sterk afgeplat, met 3 of 4 verschillend lange horens: één rechte, dunne aan het uiteinde afgeknotte en van een eindelingsche opening voorziene apikale horen, en 2 of 3 puntige, gesloten, rechte of gebogen antapikale horens. Pantserplaten met duidelijke netvormige struktuur; op de hoekpunten der ribben kortere of langere stekeltjes. Dwarsgroeve bijna cirkelrond, nu eens rechts-, clan linkswindend. Chromatoforen geelbruin, schijfvormig, kern ovaal, geen stigma.

Lengte: 100—200 ju.

Vindplaatsen: Zwanenwater, Kortenhoefsche plassen, Vecht, Abcouder Meer, Pikmeer, Sneeker Meer, Langweerder Wielen, Tjeukemeer, Singelgracht te Leeuwarden, zomer en herfst, in het netplankton, meestal sporadisch, alleen in de beide eerstgenoemde wateren soms zeer talrijk.

Een uiterst variabele soort, die tengevolge van haar grootte gemakkelijk gevangen wordt en in de planktonmonsters niet licht over het hoofd wordt gezien. Zij schijnt zich het meest in volkomen zoet water thuis te gevoelen en komt dan ook in het Oosten en Zuiden van ons land veel algemeener en in grooter aantal voor, dan in het door mij meer in het bijzonder onderzochte gebied.

(De verwante soort C. curvirostre Huitf.-Kaas, met sikkelvormig gebogen apikale horen, die door ons tot dusverre slechts in een watertje bij Malden in Gelderland werd aangetroffen, schijnt in dit gebied te ontbreken, evenals de korthoornige C. cornutum (Ehrb.) Clap. et Lachm.).

De meeste onzer zoetwater-Peridineeën zijn bewoners van ondiepe wateren —■ vijvers, poelen en plassen —■ waar zij nu eens tusschen plankton, dan weer meer in het open water worden aangetroffen. Zij moeten derhalve tot de zoogenaamde semi-pelagische vormen worden gerekend. Een uitzondering maakt slechts Ceratium hirundinella, die een echte pelagische soort is en bij voorkeur in helder water leeft. In meren met groote Cyanophyeeën-maxima komt zij volgens Wesenberg Lund (11) gewoonlijk niet tot ontwikkeling: wellicht is het aan deze omstandigheid toe te schrijven, dat ook bij ons in de minder heldere, Cyanophyeeën-rijke wateren, zooals het Spaarne, de Poel bij Amstelveen e. d. C. hirundinella ontbreekt of slechts sporadisch wordt aangetroffen.

Van deze soort is ook bekend, dat zij een groote verspreiding heeft: zij wordt in bijna alle zoetwater-planktonlij sten vermeld. Omtrent het voorkomen en de verspreiding der overige soorten is uitteraard nog slechts weinig bekend. Eerst door een stelselmatiger onderzoek van het zoetwater-nannoplankton kan hieromtrent meer licht worden verspreid. Zooals uit de literatuur-opgave blijkt, komen de meeste der bij ons gevonden soorten ook iu Duitschland voor.

Nigtevecht, 1 December 1918.

Sluiten