Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierop schijnt onder de Ardeidae Botaurus stellaris een uitzondering te maken, van welke soort door Steenhuizen en mij kon worden waargenomen dat de kuikens niet alleen — als alle Ardeidae en Ciconidae — den geërfden aanleg bezitten om het uitgebraakte voer zonder vóórpikken der ouders van den nestrand op te nemen, doch deze eleronome reflex nog door eene ambiontische associatie gewijzigd toonden, geleerd als ze blijkbaar hadden om niet te wachten tot het voer op het nest lag, doch het terstond uit den voerenden snavel op te vangen en zelfs hunne wijdgesperde snaveltjes om de zich openende oudersnavel heen te klemmen.

Of zou misschien toch ook deze gecompliceerde beweging der jonge Botaurus stellaris niet eene „aangeleerde" zijn, maar eveneens een aangeboren gecompliceerde reflex, een instinctmatige beweging dus, zooals wij die kennen van de jongen van Phalacrocorax, welke van stonde af aan hun snavel en den geheelen kop zelfs, in den ouderlijken snavel steken om het voorverteerde voedsel bij het uit de krop opbraken reeds in ontvangst te nemen? En zou dan — om met O. Heinroth te spreken — waar een gelijk of gelijksoortig gedrag bij verschillende dieren waargenomen wordt een aanwijzing kunnen liggen naar het bestaan van eene, zij 't ook in ververleden tijd liggende, nauwere verwantschap, en de ethologie hier een weliswaar meest wel zeer onzekere en gevaarlijke weg wijzen bij de oplossing van phylogenetische vragen?

Hoe dit ook zij, bij onze jonge Goliathreigers noch ook bij de eveneens in „Artis" regelmatig broedende Ardea cinerea, Pyrrherodias manillensis en Ciconia ciconia mochten wij ooit iets van de merkwaardige wijze van voedselopname gewaar worden, die door Steenhuizen en mij in Mei 1913 op de Ankeveensche plassen bij het toen voor de eerste maal in de natuur gephotographeerde Roerdompen-nest van de Botaurus-kuikens kon worden opgemerkt.

Wat nu den verderen opgroei der kuikens van Ardea goliath betreft nog het volgende. Van een drenken der kuikens, zooals dit soms, op zeer warme dagen althans, bij Ooievaars op het nest kon worden waargenomen (zie Ardea III, N°. 4 en IV, N°. 1 en 2) hebben wij bij Ardea goliath nimmer iets bemerkt. Zes weken na de geboorte ongeveer breken de eerste pennae door; zooals gewoonlijk de bij den eersten rui niet uitvallende slag- en stuurpennen het eerst, daarna de eontour-veeren aan hals en rug, en met drie maanden ongeveer vertoonen de jongen een vaalbruin jeugdkleed, getemperd door grijsblauwe vlekken op de topeinden der vleugel- en rugdekveeren en lichtelijk geschakeerd door witte veer-rijen aan de voorzijde van den hals. Langen tijd nog blijven er donsveeren, met name op de kruin, tusschen de contour-veeren aanwezig.

Gedurende de drie-weeksche donskleed-periode blijven de jongen plat op het nest liggen — zoo gezegd alleen den kop heffend — daarna, ongeveer gelijktijdig met het doorkomen der dekveeren zijn ze eerst in staat zich op de „hielen" op te richten en na + 6 weken eveneens op de „hielen" te kruipen. De jongen blijven dus vergeleken met andere Ardeidae lang op het nest. (Van A. cinerea, Pyrrherodias purpurea en P. manillensis toch is ons bekend dat de kuikens ongeveer een maand op het nest vertoeven, terwijl door Steenhuizen en mij bij een nest van Botaurus stellaris in de Ankeveensche plassen kon worden waargenomen, dat de jongen bij onraad reeds na 12 dagen van het nest klauteren). Na 3 maanden ongeveer, wanneer het jeugdkleed vrijwel gereed is gekomen, worden ook de eerste vliegbewegingen gemaakt.

De in voorjaar of zomer geboren jongen houden hun jeugdkleed den winter door tot den eersten rui, welke gelijk met die der ouders in Juli—Augustus plaats grijpt. Dan krijgen ze hun e en-ja rig It 1 e ed,- slechts weinig van het jeugdkleed verschillend, donkerder van tint en scherper geschakeerd door het wit der halsveeren. Bij den tweeden rui, in het daaropvolgend jaar dus, en bijgevolg tweejarig kleed kleuren de jonge vogels geheel op, en krijgen ze de verlengde sierveeren van den volwassen vogel aan hals en voor-rug.

Pseudogeranus leucauchen Temra.

Een 13 Sept. 1006 op kleur aangekocht paar Witnekkraanvogels verrastte ons na vier jaren met zijn eerste broedsel en heeft sindsdien verscheidene malen met succes jongen grootgebracht; aanvankelijk drie malen slechts één, in volgende jaren echter regelmatig twee (cf—9) kuikens, het normale legsel bij alle Gruidae. Omstreeks half Mei wordt de paartijd ingeleid door.de bekende sierlijke en luidruchtige paringsspelen. Het cf opent de huwelijksplichten met een voorspel en wel door bijwijlen imponeerend voor het 2 heen en weer te schrijden, pronkend met opgezette sierveeren, fier gekromden hals en een „verhoogden blos" over de naakte huiddeelen van den kop. Af en toe geeft hij zijn gemoed lucht in een plotseling trompetgeluid, waarmee dan het overigens ingetogen al zijn bewegingen ontwijkende 9 instemt, eveneens trompetterend en met rhytmische stooten den klaroen van het cf begeleidend.

Sluiten