Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiden van oneetbare steentjes, strootjes enz. Binnen enkele uren hebben de verworven associaties den instinctieven aanleg in de goede banen geleid, en spoedig ook den cleronomen reflex in dier voege gewijzigd, dat de knikens den ouders het aangebrachte voer, nog vóór dat deze het konden laten vallen, uit den snavel wegpikken. Na eenige dagen weten ook de kuikens, „waar Abraham den mutsaard haalt", en gaan ze op hun manier ook reeds op voedsel uit, leerend uit allerlei toevallige gunstige en ongunstige ervaring. Ze hebben dan ook het juiste gebruik der hun aangeboren schuwheid en kraanvogelomzichtigheid verkregen. Onbewust van welk gevaar ook en argeloos „als pasgeboren kinderen" als ze de eerste dagen nog waren, hebben ze nu geleerd hun ouders letterlijk op den voet te volgen, dier omzichtigheid overgenomen, en niet dan met de grootste moeite mocht het ons gelukken althans één der kuikens te fotografeeren. Ofschoon ze niet zoo snel als jonge Reigers en Ooievaars groeien, en er veel-langer clan deze nog „donzig" uitzien, hebben ze omstreeks ,het einde van den zomer toch een flinke grootte bereikt en maken in hun jeugdkleed, dat doffer van toon is als het typische kraanvogelgrijs der ouders, een overwegend bruinachtigen indruk. Dit bruin komt tot stand, doordat de pennae öf op het basale gedeelte na geheel bruin, of van bruine randen voorzien zijn. De schouder- en vleugeldekveeren zijn op grijsblauwen grond van bruine toppen voorzien. De dekveeren aan de keel zijn geelachtig wit, die aan de voorzijde van den hals worden naar onderen toe steeds donkerder tot geelachtig bruin toe. Borst en buik zijn grijsachtig geel; aanvankelijk domineert het geel, maar tengevolge van het in de lengte uitgroeien der geel-omrande doch overigens grauwe veeren, neemt op den duur de grauwe kleur de overhand.

Slag- en stuurpennen zijn donkergrijs, van sierveeren is in zooverre eenigszins sprake, dat de hiertoe in 't volwassen kleed voorbestemde dekveeren reeds een eigenaardigen, verlengden vorm vertoonen.

Omstreeks October vangt een merkwaardige verkleuring aan; doordat de aanvankelijk lichtbruine onderste halsveeren (die later den typischen „wituek" vormen zullen) wit beginnen te worden, terwijl voorts gedurende den winter langzamerhand overal het „kraanvogel-grijs" in 't geverderte de overhand neemt. Deze verkleuring komt neer op een verliezen van de bruine randen der veeren; gelijk dit ook bij den z. g. „voorjaarsrui" van velen onzer zangvogels plaats vindt, die zonder een veer te verliezen een bruiloftskleed gaan vertoonen, en hierbij door slijtage van hun winterpakje mooier, wxant volkleuriger worden. De jongen dragen dit op gekleurd jeugdkleed tot deh algemeenen rui, die ze gelijk met de ouders in den volgenden zomer mee-maken. Ze ruien dus alle eerste veeren, de slag- en stuurpennen uitgenomen, op eenjarigen leeftijd.

Het eenjarig kleed verschilt dan alleen in den lichteren toon, het iets duidelijker afgezet wit en den iets meer geprononceerden vorm der toekomstige sierveeren van het „opgekleurcle jeugdkleed."

Met den tweeden rui, dus in den derden zomer na hunne geboorte, prijken ze eerst in het volwassen vederkleed; het rood der naakte aangezichtshuid komt ook eerst in het derde jaar — bij het cT sterker dan bij het 9 —, wanneer de vogels hunne geslachtelijke rijpheid hebben gekregen, op volle kleur en schijnt met de jaren nog aan intensiteit te winnen.

OPMERKINGEN.

In tegenstelling tot de ervaring bij ons paar Ardea goliath opgedaan, mocht het nimmer gelukken de Witnekkranen tot broeden in hun nachthok te brengen. Toen in 1916 op 15 Mei noodgedwongen het 1ste ei binnen moest worden gelegd, rolden de vogels het zoodra ze hun kans schoon zagen onmiddellijk naar buiten. Ongelukkigerwijs ging het ei hierbij te loor.

Den 18den Werd toen op de gewone plaats bij het water een tweede ei gelegd, op den 20sten door een windei gevolgd, terwijl op 22 Mei het legsel weer met een normaal ei werd besloten. Ei 2 en 4 leverden gezonde jongen op. Het legsel van alle Gruidae bestaat echter normaliter uit 2, bij hooge uitzondering uit 3 eieren. Het volgend jaar werd geen legsel

Sluiten