Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0,104 mM. lang, 0,085 mM. breed. De grootte der eieren, die ten getale van 4 bij een der wijfjes voorkwamen, bedroeg 0,065 bij 0,048 mM. Beide getallen wijken dus eenigszins af van de opgave van Levander, die voor de kleine, „manlijke" eieren opgeeft 0,03 mM. en voor de groote, vrouwelijke eieren 0,08 mM. lang en 0,06 mM. breed.

Polyarthra platyptera Ehrbg.

Zeer verspreid, het geheele jaar, pelagisch.

Rondom Amsterdam: door het geheele gebied verspreid in alle jaargetijden, doch talrijk alleen in de Poel, het Abcouder Meer en het Gein, vooral in het voorjaar. Amstel? schijnt meer van zoet-, dan van brakwater te houden.

In Amsterdam: het geheele jaar, in alle gebieden behalve V en VII, dikwijls met eieren, slechts een enkele maal wat talrijker, bijv. 17 Maart 1916 vrij veel in de Stadhouderskade bij Heinekens Brouwerij, in water met 0,7 gr. Cl. p. L.

Synchaeta spp. Zie opmerking blz. 154.

Triarthra longiseta Ehrbg.

Algemeen, het geheele jaar, pelagisch.

Rondom Amsterdam: zeer verspreid, het talrijkst in de voor- en najaarsmaanden. In Noordzeekanaal, Spaarne, Ringvaart en Poel gedurende het geheele jaar, in het Amstelgebied, het Abcouder Meer, het Gein en het Merwedekanaal zeldzaam, of geheel afwezig, in zomer en herfst. Amstel? schijnt meer van brak-, dan van zoetwater te houden.

In Amsterdam: het geheele jaar in alle gebieden, meestal met eieren, komt waarschijnlijk zoowel langs den Schinkel a]s met Amstelwater in de grachten, komt echter ook talrijk voor in VIII, bijv. in het Oosterdok 2 Aug. '16 in water met 4,6 gr. Cl. p. Liter. — Telkens met zoetwater aangevoerd schijnt deze soort zich in brakwater zeer thuis te voelen.

3. GEVOLGTREKKING.

Zooals uit bovenstaande opgaven blijkt komen raderdieren het geheele jaar en steeds talrijk in het grachtwater voor. Stellig zijn er sommige soorten, die telkens met het Amstelen Schinkelwater worden aangevoerd. Geen enkele komt met het zeewater in de grachten. Ook van Pedalion fennicum en Brachionus mülleri geloof ik dat niet, want dan zouden deze soorten zeker vroeger door v. Breemen in de Zuiderzee zijn gevonden. Daarnaast komen een aantal soorten voor die euryhalien, autochtoon en meso- tot polysaproob zijn, raderdieren die geen voorliefde hebben voor een der gebieden, echte brakwater- èn echte vuilwater vormen, die zich plaatselijk zeer sterk kunnen vermenigvuldigen. Onder deze autochtone soorten zou ik ook Ped. fennicum willen rekenen, ook al hebben wij daar niet veel vindplaatsen van. Tot nu toe is Ped. fennicum slechts aan den buitenrand van de stad gevonden en ik durf nog niet te zeggen of hij vervuild water zou kunnen verdragen. Op grond van bovenstaande gegevens meen ik de beide volgende groepen van grachttypen te kunnen onderscheiden:

I. Met het boezemwater aangevoerde soorten: II. Autochtone-soorten:

Anuraea aculeata. Anuraea cochlearis tecta.

„ cochlearis. Brachionus bakeri en bakeri brevispinus.

Brachionus angularis. „ mülleri.

Polyarthra platyptera. „ pala en pala amphiceros.

Triathra longiseta. „ urceolaris.

Pedalion fennicum?

Het komt mij niet overbodig voor een lijsje te geven van de soorten die naast de genoemde raderdieren door mij als echte Amsterdamsche grachttypen werden gevonden.

Sluiten