Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer nog tengevolge van septieaemie veroorzaakt door de ook voor andere knaagdieren uiterst besmettelijke „Lemming-Bacterie".

Soortgelijk phenomeen ontmoeten wij bij onze „muizen-jaren". Ook hier moet de groote productiviteit, die aan de. veldmuis eigen is, ondersteund worden door voor de ontwikkeling gunstige voorwaarden, waarbij de weersgesteldheid wel de voornaamste rol zal spelen. Ook hier zal voedselgebrek tot migratie aanleiding geven, al is het ook op veel bescheidener schaal dan bij de lemming. Beiden kunnen op die wijze in het verleden actief allengs het groote gebied veroverd hebben, dat zij thans bewonen.

Er wordt beweerd, dat in recenten tijd zulks zou plaats gehad hebben met de bruine rat (Mus norvegicus), die daarom bij de Duitschers „Wanderratte" genoemd wordt. Pallas heeft zelfs het jaar 1727 als tijdstip genoemd, waarop zij, uit haar woonplaats in het Kaspische gebied komende het eerst de Wolga overtrok om zich steeds westwaarts uitbreidende tenslotte de heele wereld te veroveren, gebruik makende van de steeds meer zich ontwikkelende transportmiddelen van den mensch. Maar bovengenoemde datum van invasie kan voor de kritiek geen stand houden, wat echter niet zeggen wil, dat de bruine rat niet in den loop der tijden door verhuizing naar het westen tot ons zou gekomen zijn.

Ook in andere groepen kan massaal optreden tot trekken en daarmede tot verspreiding aanleiding geven. Zoo is b.v. bekend, dat de vlinder Pyrameis cardui L., de zoog. „distelvink" in sommige streken van oostelijk Europa om de 6 tot 8 jaar in verbazend groot aantal verschijnt. In 1903 werden op vele plaatsen in Europa groote trekkende zwermen waargenomen, zoo ook in ons land, waar de vlinder anders niet gewoon is. Anderen trokken zelfs bij nacht het Kanaal over naar Engeland. Er is trouwens gebleken, dat meer insekten uit verschillende orden bij gunstigen wind van het vasteland naar de Britsche kusten oversteken.

In de literatuur vindt men veelvuldig opgaven van groote insektenzwermen. Dat tal van gunstige uitwendige omstandigheden moeten samenwerken om tot zoodanige overproductie te leiden, is duidelijk, en dat zij tot uitbreiding der soort kan leiden, is al evenmin een voorbarig besluit. Maar daarbij mag niet vergeten worden, dat zulke invasies zonder resultaat zullen blijven, als de levensvoorwaarden in het nieuwe gebied niet geheel beantwoorden aan de eischen eener soort, en die zijn ons niet altijd even duidelijk. Dat leert b.v. het steppeuhoen Syrrhaptes paradoxus Pall. uit de centraal aziatische steppen, dat in 1859 voor het eerst in enkele exemplaren in onze duinen werd aangetroffen. In 1863 en 1864 bezochten groote vluchten ons land, in 1888 in die mate, dat van April tot December in alle provincies exemplaren vertoefden, enkele koppels in Noord- en Zuid-Holland en Gelderland tot September 1889. Het kwam zelfs tot broeden, maar overigens bleven de invasies, die op kleinere schaal in 1906 en 1908 herhaald werden, zonder resultaat. Anders in Zuid-oost Europa, waar het steppenhoen sedert de invasie van 1863 werkelijk voet gevat heeft.

Verhuizing eener soort in het groot, waarvoor wij boven voorbeelden aanhaalden, kan aanleiding geven tot verovering van een nieuw woongebied. Nader toezien leert evenwel, en latere voorbeelden zullen het bevestigen, dat het hierbij meestal om eene verovering van slechts zeer korten duur gaat. Gemeenlijk blijven enkele individuen in de nieuwe woonplaats over, die op den duur ook geen stand houden.

Van meer beteekenis dan een massale immigratie kan het verhuizen van enkelingen zijn, dat bij herhaling gebeurt. Van enkele vlindersoorten zooals de „Oleander-Pijlstaart" Deilephila nerii L. en IX celerio L. — en J. Th. Oudemans heeft het overtuigend ook voor den „Doodshoofdvlinder" (Acherontia atropos L.) vastgesteld ') — is bekend, dat zij bij ons geen stamsoorten zijn, maar dat zij telkens in den voorzomer in kleiner of grooter getal uit naburige landen ons land bezoeken en hier eieren leggen, welke nog voor den winter imagines leveren. Maar aan een nieuwe generatie kunnen zij in ons klimaat geen aanzijn schenken.

Dit zijn actieve verhuizingen, die weliswaar zonder resultaat blijven, maar zij geven een beeld hoe door zulke geleidelijke verhuizing menige soort stap voor stap terrein gewonnen

1) J. Th. Oudemans. De Nederlandsche Insecten, 1900. p. 441, 443.

23

Sluiten