Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en haar woongebied uitgebreid heeft. Dat zien wij onder onze oogen gebeuren bij het kor-' hoen (Lyrurus tetrix (L.)). Uit het onderzoek van L. F. de Beaueort ') blijkt, dat het, vroeger beperkt tot de oostelijke provincies van ons land, gedurende de laatste 20 jaren zich over het geheele diluviale gebied heeft verspreid en slechts in Zuid-Holland en Zeeland nog ontbreekt. Ook de zwarte roodstaart (Phoenicurus titys L.) heeft zich gaandeweg over. het geheele land verbreid 2), en van de zanglijster (Turdus musicus L.) en enkele andere vogels is eveneens uitbreiding van het woongebied waargenomen, In den allerlaatsten tijd ook bij den zwarten specht (Dryocopus martius L.). In 1858 werd hij het eerst voor Nederland opgegeven en wel van Twello, in 1884 van Menaldumadeel. Later werd hij van Zuidlaren en Zwolle vermeld en allengs van steeds talrijkere en meer westelijk gelegen plaatsen zooals Eerbeek, Laag-Soeren, Amersfoort en zelfs een paartje uit de Scheveningsche boschjes. Het geldt hier niet „gasten", zooals zij onder vogels zoo talrijk zijn, maar broedvogels 3). Wellicht bestaat er kans dat ook de eidergans (Somateria mollissima L.) een broed vogel bij ons wordt4). Een jaarlijksch bezoeker onzer kusten is zij in toenemende mate ook broedend aangetroffen. Dat zou dan een immigrant uit meer verwijderde gewesten zijn.

Maar er zijn meer voorbeelden voor langzame uitbreiding, ook uit groepen, aan wie men op het eerste gezicht nauwelijks het vermogen van actieve verspreiding zou willen toekennen.

Zoo vertelt Kobelt 5) van het overbrengen van de europeesche slakken Helix hortensis en nemoralis door amerikaansche conchyologen naar Noord-Amerika. Beide" soorten hebben zich snel verspreid van het punt waar zij uitgezet werden. En reeds 1890 gaf Musson °) 20 in Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland geacclimatiseerde Land- en Zoetwater-Mollusken op, waarvan er 19 uit Europa waren ingevoerd. Twee er van: onze gewone Limax agrestis L. en Limax variegatus Drap. zijn thans in Nieuw-Zeeland algemeen verspreid, trouwens ook in andere cultuurlanden, waar zij b.v. met planten werden ingevoerd.

Dit zijn opmerkelijke feiten, vooral bij dieren zooals slakken, met een gering verplaatsingsvermogen en groote gevoeligheid voor geaardheid van bodem en lucht. Vele anderen missen dan ook zulk aanpassingsvermogen. Zoo bleef Planorbis dilatatus Gould, die vóór 1869 niet vochtige katoenbalen uit Amerika in Manchester werd ingevoerd, sedert dien beperkt tot de omgeving der fabrieken. Een treffender voorbeeld voor het schijnbaar wispelturige in deze materie levert Cyclostoma elegans. Deze huisjesslak leeft in het westelijk continentale Europa en in Engeland. Zij wordt telkens aan de kusten van Ierland aangespoeld aangetroffen. Darwin heeft experimenteel aangetoond, dat zij, dank zij haar deksel, een 14 dagen lange onderdompeling in zeewater kan verduren. Terecht wijst Scharff ~') op het raadselachtige, dat zij desniettemin, niettegenstaande zeestroomingen haar gedurende ontelbare jaarhonderden naar de kusten van Ierland transporteerden, daar nimmer voet kon vatten en dus op dat eiland ontbreekt.

Soortgelijke raadselachtige verscheidenheid ontmoet men ook bij andere diergroepen. Men kent b.v. van kevers talrijke soorten, die met zaden, hout, vruchten en andere handelswaren van elders ook naar onze gewesten of omgekeerd vervoerd werden. Vele zullen in de nieuwe omgeving na korteren of langeren duur te gronde gaan. Maar Everts 8) b.v. kon een lange lijst van zulke wereldburgers opmaken, die in allerlei waren in schepen, pakhuizen, kelders ingevoerd, zich ook bij ons in die waren vermenigvuldigden. Er zijn er onder b.v. Corynetes coeruleus, Dermestes-soorten e. a., die vrijlevend zich allengs over een groot deel der aarde verspreid hebben.

1) L. F. de -J3eaufort, Ardea 1912, p. 50.

2) Snoückaert van Schauburg, Falco 1907, p. 69, en Avifauna neerlandica 1908, p. 48.

3) In het Jaarbericht 7, 1917, van den club van Nederl. Vogelkundigen, p. 13 en p. 99 worden twee gevallen van liet broeden van den Zwartspecht bij Ommen en te Raalte (O.) medegedeeld.

4) E. D. van Oort, Notes Leyden Museum XXX. 1901. p. 153.

5) W. Kobelt, Studiën zur Zoogeographie. Die Mollusken d. palaearkt. Region. 1897, p. 29.

6) Musson, Proe. Linn. Soc. New South Wales. 1890.

7) Scharff, History of European Fauna. 1899. p: 16.

8) E. Everts, Verslag Ned. Entom. Vereen. 68. Vergad. 1913.

Sluiten