Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft dergelijke soorten cenokosmisch genoemd in tegenstelling met palinkosmische, die reeds in vroegere perioden der aardgeschiedenis eene wijde versprijding hadden. De onderscheiding zal moeilijk zijn, maar de gedachte is zeker juist, dat er factoren zijn, die evengoed als thans zoo ook in een ver verleden verspreiding der soorten mogelijk maakten en daarmede van invloed waren op de samenstelling der fauna. Want evengoed als thans werd ook vroeger verspreiding naar een nieuw gebied mogelijk gemaakt door transport. Dat kon en kan nog geschieden door drijfhout of andere drijvende voorwerpen, die over zee komende aan de kusten geworpen worden. Daaraan danken wij vermoedelijk de boorschelp Petricola pholadiformis, die oorspronkelijk aan de Oostkust van Noord-Amerika thuis behoort. Het eerst werd zij in 1908 door Juffrouw H. Icke ') bij Noordwijk aangetroffen; later vond men exemplaren, in veenbanken ingeboord, bij den Helder en verder langs onze kust. Zij heeft vermoedelijk haar weg over Engeland genomen, van waar zij sedert 1896 van Essex en Kent bekend is, sedert 1903 ook van Ostendë.

Van soortgelijke transportmiddelen kan ook op rivieren gebruik gemaakt worden. Hoog water op de bovenrivier geeft aanleiding, dat „aanspoelsel" naar beneden vervoerd wordt. Eutomologen en conchyologen weten maar al te goed hoeveel dieren in zulk „aanspoelsel" van hout, riet enz. meegevoerd worden. In den loop der tijden zal menige oorspronkelijke vreemdeling door deze reisgelegenheid zijn woongebied uitgebreid hebben.

Belangrijker transportmiddel, althans voor kleine organismen, is de wind, die zeker de grootste rol gespeeld heeft om de zoete wateren naast locale vormen met talrijke universele te bevolken. De kiemen van Zoetwater-Bryozoën en van een aantal Zoetwatersponzen zijn op windtransport ingericht, terwijl door krachtigen wind meegevoerde bladeren een transportmiddel leveren voor kleine Mollusken, Insecten en voor kiemen van andere dieren.

Onder de natuurlijke transportmiddelen tellen ook trekkende dieren op wier haren of veeren andere dieren of hun eieren zich hechten. Mollusken, hun eieren, Insecten, Crustaceen, Wormen kunnen op die wijze soms over groote afstanden vervoerd worden.

Het bovenstaande leert, dat wij een actieve en passieve verspreiding onderscheiden kunnen. Om met Forel 2) te spreken zal de actieve in den regel een normale migratie zijn, aangezien zij langs, voor het organisme natuurlijke verkeerswegen plaats heeft, zonder dat het organisme genoodzaakt is daarbij van een hem vreemd milieu gebruik te maken of van eene. hem vreemde wijze van verplaatsing. Omgekeerd zal in den regel de passieve migratie eene abnormale zijn, omdat zij plaats heeft langs een milieu, dat aan het organisme vreemd is of op eene wijze, die verschilt van zijn eigen locomotie en bovendien meestal zuiver toevallig is. Dat is het geval bij organismen of hun kiemen, die door stroomend water, door wind, in de veeren, aan de pooten of in den darminhoud van vogels, aan de haren van zoogdieren' of door andere transportmiddelen vervoerd worden.

Maar er is ten aanzien der passieve verspreiding meer in acht te nemen. Naast de genoemde transportmiddelen, die ik natuurlijke zou willen noemen, daar zij van oudsher werkzaam waren en evengoed als thans ook in het verleden en bij het scheppen der palinkosmische fauna-elementen een rol speelden, is met het verschijnen van den mensch allengs een nieuwe factor ontstaan.

Hij schiep transportmiddelen, die steeds talrijker en veelzijdiger worden en in steeds toenemende mate verwijderde landstreken in verbinding brengen.

Wij willen door enkele voorbeelden, die aan onze fauna ontleend zijn, op de beteekenis van dit ingrijpen van den mensch wijzen.

Terecht berucht is de paalworm (Teredo navalis L.) door zijn boorschade aan schepen en havenwerken; minder bekend is de schade veroorzaakt door den „scheepsworm" (Teredo megotara Hanl.), die volgens Redeke 3) onze in de noordelijke Noordzee visschende houten vaartuigen aantast en aldus bij ons geimporteerd is. Onder bizondere, voor het dier gunstige

1) H. Icke, Tijdschr. Ned. Dierk. Vereen. (2) X. 1908, p. 226.

2) F. A. Forel, Le Léman. T. III, 1904.

3) H. C. Redeke, Rapport over onderzoekingen betreif. h. voorkomen v. d. scheepsworm (Teredo- megotara Hanl.). 1912.

Sluiten