Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden blijft hij hier in het leven en vermenigvuldigt zich zooals in de Visschershaven van Scheveningen.

Interessanter is de levensgeschiedenis van een ander Mollusk: de naaktslak Corambe batava, door Kerbert ') in 1881 in de Zuiderzee bij Durgerdam ontdekt. Het geslacht Corambe was toen alleen uit de Sargasso-zee bekend. De hypothese was dus niet te gewaagd, dat tusschen wieren aan de huid van schepen, die op weg naar Amsterdam, de Sargasso-zee passeerden, levende exemplaren van Corambe in de Zuiderzee geimporteerd werden. Dit was immers in vervlogen dagen de weg tot Amsterdam, meestal met een oponthoud bij het Pampus (bij Durgerdam!). Later werd dan ook Corambe bij Wieringen 2) en bij den Helder 3) aangetroffen en buitendien alleen nog maar in de haven van Arcachon.

Verkeerdelijk is vaak de meening verspreid, dat de zonderlinge mossel Dreissena polymorpha in de vorige eeuw aan de huid van schepen uit de Kaspische Zee in de zoete en brakke wateren van West-Europa en dus ook bij ons was ingevoerd. Dit is in dien vorm onjuist. Dreissena polymorpha kan niet in zeewater leven, kan dus geen lange zeereis doorstaan. Als zij dus uit het pontische gebied, b.v. uit Zuid-russische rivieren tot ons gekomen is, kan dit alleen geschied zijn door vochtig timmerhout, in schepen aangevoerd; hare levenstaaibeid kan daarbij meewerken. Maar de zaak wordt ingewikkelder, omdat men haar bovendien fossiel uit de keileem van Pruissen, en uit lagen 15 voet diep onder het tegenwoordige Londen kent, uit een tijd dus, waarin vervoer, als boven aangeduid, uitgesloten was. Zij is dus eerder als een relict te beschouwen, dat zich in enkele noord-europeesche wateren staande hield en van daar weer verder verspreidde.

Ook van de binnenruimte van schepen kunnen dieren een tijdelijke woonplaats maken en aldus van verweg vervoerd worden. Insecten, spinnen, duizendpooten, slangen, de Gecko (Gecko verticillatus Laur.), de Tjitjak (Hemidactylus frenatus Dum. & Bibr.), ratten, muizen e.a. worden op die wijze in onze havenplaatsen gebracht. Onze fauna wordt er niet door vei~rijkt, want behalve ratten en muizen, kunnen deze meestal tropische vreemdelingen bij ons niet aarden.

Belangrijker is de invoer van vreemde dieren in handelswaren, vooral in granen, zaden, Arachiden-nooten, vruchten, vezelstoffen, in hout, op levende planten, in de aardkluiten om haar wortels e.d.m. Ook hier is den hieesten in ons klimaat slechts een kortstondig bestaan beschoren. Anderen, vooral met een verborgen levenswijze, houden zich staande.

Boven werd reeds aangeduid, dat heel wat uitheemsche torren onze graan- en rijstpakhuizen bewonen. Ik noem slechts Laemophloeus ferrngineus Steph., Silvanus surinamensis L., Trogosita mauritanica L., lïhizopertha dominica F., Calandra-soorten. Weer anderen: Tribolium ferrugineum F., Bruchus chinensis- L. en Br. mimosae F. houden zich op in magazijnen met aardnooten, peulvruchten, sesamzaden e.d.m.

Dan zijn er immigranten uit warme luchtstreken, die zich bij ons ingeburgerd hebben in verwarmde lokalen. Zoo de beruchte Pharaomier (Monomorium pharaonis L ), die vooral in bakkerijen aangetroffen wordt, maar ook menig ander gebouw zooals het postkantoor te Alkmaar, onbewoonbaar gemaakt heeft. Meer bekend zijn de door het handelsverkeer uit Amerika en Azië ingevoerde kakkerlakken (Periplaneta) en de uit oostelijk Europa over de geheele aarde verspreide Phyllodromia germanica L.

Heel wat organismen worden telkens ingevoerd met levende planten. Zijn het tropenbewoners, dan zijn verwarmde kassen de eenige plaats waar hun voortbestaan verzekerd is. Uit onze naaste omgeving wil ik slechts noemen den platworm Bipalium keivense, die b.v. sedert jaren het Reptiliënhuis van „Artis" bewoont. Hij is trouwens ook overigens uitsluitend in verwarmde plantenkassen en dergelijke plaatsen aangetroffen, terwijl men zijn tropisch of subtropisch vaderland niet kent. Dat is ook het geval met de spin Theridium tepidariorum C L. Koch, die ook bij ons in zulke verwarmde localiteiten gevonden is. Hetzelfde is het

1) C. Kerbert, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) I. 1886, Versl. p. 5.

2) M. Weber. Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) I. Versl. Verg. 1886, p. CLXX en ibid. (2) II. Versl. Verg. 1887, p. XVII

3) J. J. Tesch, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XII. Versl. Verg. 1912, p. LXXXIX.

Sluiten