Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval met het Mollusk Opeas goodalli Mill, dat volgens Juffrouw J. Scholten in 1912 en 1913 herhaaldelijk in de warme kas van den Hortus botanicus te Amsterdam werd aangetroffen. Een plaag in vele van onze kassen is voorts de ingevoerde duizendpoot Paradesmus gracilis Koch, opmerkelijk door zijn vermogen om door huidklieren vrij blauwzuur af te scheiden.

Men zal de genoemde dieren niet bij onze fauna mogen rekenen; maar anderen zijn er, clie allengs daarop aanspraak mogeu maken. De zuideuropeesche slak Physa acuta Drap. werd ongeveer in 1909 in ons land het eerst door Jhr. W. C. van Heurn in de Victoria regiakas te Leiden gevonden, in 1912 door Juffrouw J. Scholten in soortgelijk bassin in den Hortus te Amsterdam. In December 1915 vond C. Druyvestein 2 exemplaren vrijlevend in het Noorderspaarne bij Schoten en op 31 Juli 1916 de Heer Thiellier exemplaren te Teteringen bij Breda. Dit is allengs algemeen bekend geworden; daarbij heeft men, zooals mij onlangs bleek, vergeten, dat de soort reeds in 1870 door E. v. d. Broek ') voor Nederland bekend werd gemaakt met de woorden: „II est tres probable que cette espèce va ce répandre pen h, peu dans tout le pays (Belgique); et comme nous 1'avons déja trouvée dans la partie hollandaise du canal de Zelzaete, elle est également h ajouter h la faune malacologique de Hollande." Ook in Duitschland is zij op verschillende plaatsen in de vrije natuur ingeburgerd, nadat zij, zonder twijfel onopzettelijk, b.v. door Aquarium-liefhebbers, verspreid werd. Physa acuta heeft dus alle kans een lid van onze fauna te worden.

Dat is gelukkig aan den beruchten Colorado- of aardappelkever (Doryphora decemlineata Lay) niet gelukt. Oorspronkelijk in bet verre Westen van Noord-Amerika op Solaneën levende gaf hem de toenemende aardappelbouw gelegenheid zich steeds meer oostwaarts uittebreiden, kort na 1870 over geheel Noord Amerika, waar hij in de oostelijke Staten groote verwoestingen aanrichtte. Overbrenging naar Europa was moeilijk, omdat kever en larve slechts van aardappelloof leven. Desniettemin kwam in 1876—1878 een aantal exemplaren naar Europa, waar zij op enkele plaatsen in Duitschland zich vermenigvuldigden. Maar aan den schrik voor dezen gevaarlijken vijand evenaarden de verdedigingsmiddelen en spoedig bleek het gevaar geweken. Een gelijk lot is aan de St. José schildluis beschoren.

De wegen van import van dieren kunnen somwijlen zeer ingewikkeld zijn. Daarvoor slechts één voorbeeld. Door J. C. C. Loman 2) weten wij, dat de beékprik (Petromyzon Planeri) het boveneinde der kleine Veluw-beekjes bewoont. In den darm dier prikken trof Loman den parasitischen draadworm Dacuites globosa Duj. aan, voordien slechts bekend uit de beekforel. Herhaaldelijk zijn proeven genomen om in deze beekjes forellen te teelen. Het is dus waarschijnlijk, dat zij de importeurs der~parasieten zijn.

Naast den onopzettelijken invoer waarvoor boven eenige voorbeelden uit Nederland genoemd werden, heeft de mensch zich van oudsher ook opzettelijk met het invoeren van dieren bezig gehouden. Voor de huisdieren verliest zich dat in het duister der tijden. Even duister is cle geschiedenis b.v. van den boschfazant (Phasianus colchicus L.), die bij ons standvogel is. Men beweert, dat hij in oude tijden geplant werd; dat beweert men ook in Engeland met de bijvoeging, dat de Romeinen bet zouden gedaan hebben. Soharfp 3) betwijfelt dit en acht het niet onmogelijk, dat hij in Engeland een indigene vogel is, die de glaciale tijden overleefde.

Dat geldt natuurlijk niet voor andere fazanten soorten, die vaak met den boschfazant kruizen. Zij worden bij ons als jachtobjecten ingevoerd en zijn ingeburgerd, wat met de „G-rouse" (Lagopus scoticus), die sedert 1893 bij herhaling op de Veluwsche heidegronden werd uitgezet, nog niet schijnt gelukt te zijn. Andere geimporteerde vreemdelingen zooals pauw, parelhoen zullen bij ons niet verwilderen en van zeldzame eenden- en reigersoorten, bij ons in het wild aangetroffen, zal een deskundige spoedig vaststellen of zij op den trek verdwaald of uit een dierpark ontsnapt zijn.

Op dit gebied zijn allerhande verrassingen te wachten. Zoo werden ontvluchte flamingos (Phoenicopterus roseus Pall.) aangetroffen, bij Leiden werd een beverrat (Myopotamus coypus)

1) E. van den Broek, Ann. d. 1. Soc. malacolog. de Belgique V. 1870, p. 19.

2) J. C. C. Loman, in Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. Versl. (1909) 1910, p. LX1I.

3) R. F.. Scharff, History of European Fauna 1899, p 256.

Sluiten