Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdzaak praktisch vernietigd hebben. Een land immers, waarvan de oppervlakte toen reeds uit rivier-sedimenten was opgebouwd, kon moeilijk aan dieren refugiën aanbieden zooals de ijsvrije „noenataks'', die boven het groenlandsche landijs uitsteken of soortgelijke rotsen, die boven het gletscherijs in Zwitserland zich verheffen.

Weliswaar onderging het ijsvrije land bezuiden den Rijn niet zulk eene vernietiging zijner fauna, toch stond ook zij onder den invloed van het naburige landijs. De korte zomer zal slechts aan dieren, bestand tegen lage temperatuur, koude winden en sneeuwbuien, een moeilijk bestaan gegeven hebben. In het Westen eindelijk, in het gebied onzer zeeprovinciën, bood een „Haff" van reusachtige afmeting achter de toenmalige duinreeks en voor het overige amphibiotisch land slechts aan moeras- en watervogels een goed onderkomen.

Met eenige phantasie kan men zich ongeveer een beeld vormen van de althans aan soorten arme fauna.

Eerst met het smelten van het landijs en met de daarmede gepaard gaande geleidelijke verhooging der temperatuur ontstonden betere levensvoorwaarden. Maar in een delta-land als het onze, kwamen nieuwe moeilijkheden voor de dierenwereld. De tijd der „groote wateren" brak aan; het smeltwater van ijs en sneeuw zal de waterloopjes in beken, de beken in rivieren, de rivieren in geweldige stroomen verkeerd hebben-

De hooger gelegen terreinen, ijsvrij geworden en allengs met heide zich bedekkende, waartusschen dennen- en eikenstruiken zich geleidelijk vestigden, boden het eerst een veilige woonplaats. Zij hebben voor een goed deel dit karakter bewaard en daarmede ook menig dier, dat ons nog herinneren kan aan dien arktischen en subarktischen tijd. Al tornt men tegenwoordig, vaak met spitsvondigheid, aan den naam, het kan nauwelijks tot misvattingaanleiding geven, als wij deze arktische en subarktische achterblijvers glaciaal-relicten noemen. De „stenothermen" onder hun, degenen dus, die slechts geringe temperatuurschommelingen verduren kunnen, zijn zeker voor een goed deel onder de toenemende temperatuur bezweken, of zij moesten het afleggen tegenover immigranten, die door de betere levensvoorwaarden ook naar de heidevelden getrokken werden. Maar vooral het zoete water: de beekjes en voornamelijk de heideplassen hebben menig relict voor ons bewaard. Voortgezette studie der levensgemeenschappen op wTat wij gewoon zijn diluviale gronden te noemen, zal eerst kunnen ontleden, welke elementen de oudsten zijn, welke van jongeren datum.

Van die relicten willen wij enkelen noemen.

Een zekere vermaardheid heeft de platworm Polycelis cornuta vooral in Duitschland gekregen. Gedurende den laatsten ijstijd waren vermoedelijk alle stroomende wateren in Noord- en Midden-Duitschland door den platworm Planaria alpina bewoond. Daar haar optimale temperatuur bij 5°—6° C. ligt, moest zij bij de stijging der temperatuur allengs in den bovenloop der koude beken zich terugtrekken. Zij werd daarbij gevolgd door een tweede stenotherme koudwater-vorm Polycelis cornuta, die echter hoogere temperaturen verduren kan en ten slotte in warmer geworden beken de Planaria alpina verdrong om zelf het brongebied te bevolken. Eerst in historischen tjjd schijnt een derde soort: Planaria gonocephala, die een eurytherme warmwater-vorm is, dus ruime temperatuurverschillen verdragen kan, in den benedenloop der beken ingedrongen te zijn, vanwaar zij zich stroomopwaarts verbreidde.

Regelrecht bewonen dus in de aangeduide volgorde de 3 Planariën de beken van oorsprong tot monding, overeenkomstig de toenemende verhooging der temperatuur van de beek en de toenemende temperatuur-optima der 3 Planariën '). Voor de Alpenplanarie schijnt ook het brongebied onzer beken sinds den ijstijd te warm geworden te zijn: zij ontbreekt er althans, maar Polycelis cornuta wordt nog in den bovenloop der beken aangetroffen. Het eerst in 1907 in de Eerbeek2), sedert dien door Dr. Romijn in de Heusenbeek te Voorbeek (L.), in de Zwanenspreng bij Apeldoorn, in de Sprengenbeek bij Beekhuizen (G.) en onlangs in beekjes bij Oosterbeek.

1) Voigt, Zool. Jahrb. Abt. Systematik VIII. 4895, p. 131. — Thiexemaxx, Internat. Revue d. Hydrobiologie 1912.

2) Max Weber, Tijdschr. Ned. Dierk, Ver. (2) X. 1907, p. XX.

Sluiten