Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Treffender nog is het optreden van noordelijke vormen in eigentlijke heideplassen.

Bovenaan staat de zoetwatervloo 'Eurycercus glacialis Lilljeb., die bekend is van het arktische gedeelte van Rusland en Noorwegen, van Groenland, van het Behring eiland en sedert 1912 uit ons land van Acht (Noord-Brabant), van de Gosselsche heide bij Grave, uit de groote heideplas Gerritsflesch bij Hoog Buurlo (Gelderland) ') en uit het afgelaten ven bij Woensdrecht (Dr. Romijn).

De heideplas Gerritsflesch bevat verder als eenige Dytiscus-soort Dytiscus lapponicus Gylh., eene soort inheemsen in Scandinavië, Denemarken en Noord-Oost-Duitschland. Deze watertor werd een aantal jaien geleden bij ons bij Lochem ontdekt, daarop in 1917 in een heideplas bij Loenen op de Veluwe. Juist bleek (in 1918) mijn voorspelling, dat hij ook in Gerritsflesch zou voorkomen. Ik haal dit slechts tot staving aan van ons betoog. Immers als eene voorspelling, gebaseerd op combinatie van onderstellingen, juist blijkt, pleit dit ook voor de juistheid dier onderstellingen.

Vermoedelijk mogen wij ook het „schrijvertje" Gyrinus minutus F. onder de glaciaalrelicten rekenen. Zoo zullen er onder de insecten wel meer zijn, Lauterborn noemt b.v. de libelle Somatochlora arctica.

Ook de lage landen herbergen getuigen uit den vroegen post-glacialen tijd, toen MiddenEuropa bewoond werd door een gemengde fauna van bewoners der subarktische steppen en tundras en van alpine soorten. Daarbij behoorde Microtus ratticeps Keys & Bias., een woelmuis,'die thans nog aangetroffen wordt in het noordelijk gedeelte van het continentale Europa en Azië: van Noord-Rusland en het gebergte van Scandinavië oostwaarts tot Siberië, zuidwaarts tot noordelijk Hongarije en oostelijk Noord-Duitschland en in 1835—1836 in een „muizenjaar" ook in Lisse bij Leiden gevonden werd 2).

Voor het overige zal eene postglaciale steppentijd, zooals wij haar — om in de buurt te blijven — van den Middenrijn tusschen Bonn en Mainz kennen, in Nederland met zijn zeeklimaat moeilijk tot ontwikkeling hebben kunnen komen. Maar als wij aannemen, dat het „Löss", dat in Limburg en als smalle strook langs de veluwsche heuvelreeks van Doorwerth tot Dieren wordt aangetroffen, een aeolische vorming is, dan wijst dat althans op eenen droogeren tijd, waarvan vormen als Microtus ratticeps en voorts de boven (p. 184) besproken hamster gebruik konden maken zich te vestigen. Beiden zijn dan relicten, die zich vroeger in eene grootere verspreiding verheugden. Dat daarvoor tot heden de palaeontologische bewijzen ontbreken, is niet verwonderlijk. Uit de uitstekende studie van Rutten 3) over de diluviale zoogdieren in Nederland is duidelijk gebleken, hoe gebrekkig de tot ons gekomen resten getuigenis afleggen van den rijkdom dier fauna. Kleinere zoogdieren ontbreken daarin geheel en van arktische zoogdieren, waarvan wij gerust mogen aannemen, dat althans enkelen in Nederland hebben geleefd, is niets tot ons gekomen, als schrale resten van het rendier. Dat ligt voor een goed deel aan de geringe ontwikkeling van fijnkorrelige afzettingen, maar ook aan de schaarschte van onderzoek aan die lagen besteed.

De terpen kunnen die leemte slechts voor een deel aanvullen. Hun geschiedenis reikt niet ver genoeg terug en door hun ligging in het overstroomingsgebied van zee en rivier, konden zij van kleine zoogdieren slechts die bewaren, die in dit vochtige terrein leven konden.

Het is niet altijd duidelijk waarom relicten, zooals b.v. de bovengenoemde, die reeds zoo lang in Nederland gevestigd zijn, geen ruimere verspreiding gekregen hebben. Er is evenwel hierbij niet uit het oog te verliezen, dat uit het negatieve feit van onbekendheid nog niet het ontbreken eener soort behoeft te volgen. Een treffend voorbeeld hiervoor is de heidekikvorsch {Rana arvalis Nilss.), die eigen is aan de heide- en veengronden en aan de toendren van het palaearktische gebied.

In 1878 in Nederland het eerst in de buurt van Apeldoorn ontdekt, werden sinds dien telkens nieuwe vindplaatsen opgegeven. In de eerste plaats uit de heidestreken vanwaar

1) N. L. Wibaut-Isebree Moexs, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XII. 1913, p. 227.

2) F. A. Jentink, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. V. 1881, p. 105.

3) L. Rutten, Die diluvialen Saügetiere d. Niederlande 1909.

Sluiten