Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E. Heimans, clie zooveel bijdroeg tot de kennis omtrent dezen kikvorsch, hem terecht heikikker doopte. Daar hij sedert 1895 van Texel bekend is en ik hem in 1916 ook in de duinen van het eiland Schouwen aantrof, dus in aeolisch, uit de zee geboren zandgrond, blijkt daaruit zijn wijde verspreiding in Nederland en toch is de kennis daarvan eerst sedert 40 jaren heel geleidelijk verkregen. Zoo ging het ook met Planaria gonocephala en met andere soorten kan betzelfde gebeuren.

Den draad der geschiedenis der fauna, dien wij ter wille van de glaciaal-relicten afbraken, weder opvattende, mogen wij aannemen, dat voor haar allengs weer normale toestanden terugkeerden en behalve de hooge gronden ook het overige land algemeen bewoonbaar werd. Allereerst kon zich verder ontwikkelen, wTat van de vroegere fauna nog aanwezig was, maar daarnaast opende zich de gelegenheid tot immigratie.

De geographische ligging van Nederland wijst 3 wegen aan, waarlangs zij kon plaats hebben.

1. In het Oosten staat Nederland wijd open voor de bewoners der noordduitsche laagvlakte, die in plantengroei, temperatuur en andere klimatische factoren er nauw mede samenhangt. Ongetwijfeld recruteerde zich het hoofdcontingent onzer fauna uit dit gebied. De noordduitsche laagvlakte is van haar kant een onderdeel van het zoogenaamde boreale gedeelte der palaearktische fauna, waarmede het voornaamste karakter der nederlandsche fauna voldoende gekenmerkt is.

2. In het zuidoosten opende zich de poort voor de invasie van „rhenane11 elementen, die door (aanspoelsel) of langs den Rijn plaats greep.

Onze zuidelijkste provincie Limburg, die faunistisch zoo zeer afwijkt van het overige land, dankt dat zeker voor een goed deel daaraan, dat blootliggend rotsgesteente en daarin ingesneden valleien met stroomende beekjes, verscheidenheid dus van den bodem en daarmede van het plantenkleed, .afwijkende en voor menig dier gunstige levensvoorwaarden scheppen. Zij is een noordelijke uitlooper der „gallo-rhenane" fauna. Opmerkelijk uit zich dat in de insectenwereld, maar ook hoogere vormen, zooals de boven genoemde zoogdieren Muscardinus avellanarius L. en Eliomys quercinus L. (zie boven), voorts vormen als de vuurpad Bombinator pachypus l) leggen daarvan getuigenis af.

3. Moeilijk van de vorige groep te scheiden is een element, dat wij atlantisch kunnen noemen en ongeveer beantwoordt aan wat Scharff als „lusitanisch" element in cle europeesche fauna aangeduid heeft. Hij noemt daarvoor speciaal de lijster Melizophilus undatus; de land mollusken Geomalacus maculosus en meerdere Testace l la-soorten e. a.

Deze dieren ontbreken in onze fauna. Maar het wil mij voorkomen, dat b.v. de volgende als representanten van dit van oorsprong zuidelijke fauna-element gerekend mogen worden. De kwikstaart Motacilla alba lugubris; de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) en de watersalamander Molge palmata Schneid. 2). Van verdere zoetwaterbewoners noem ik nog de zeer opmerkelijke Caridina desmaresti Millet. Deze kreeft, die algemeen verspreid is in het zoete water van zuidwest Europa en noordwest Afrika, werd in 1886 in de Maas bij Hestière (België), als het noordelijkste voorkomen, gevonden. In 1915 deelde Juffrouw de Lint3) mede hem in het Abcouder Meer aangetroffen te hebben, in 1916 vond van der Sleen 4)

1) In tegenstelling met Bombinator igneus, die in het faunagebied van de noord- en oosteuropeesehe laaglanden behoort.

2) Ook mij komt de wel eens uitgesproken veronderstelling juist voor, dat Molge alpestris een relict zou zijn uit den tijd toen ons land evenals het naburige noordduitsche laagland met bosschen bedekt was. Heden ten dage gebonden aan het heuvel- en lage bergland vooral van Middeneuropa, ontbreekt Molge alpestris in de noordduitsche laagvlakte, behalve verspreide vindplaatsen in noordwest Duitschland en in het Oosten van Nederland. Deze watersalamander zou dan bij die groep van relicten behooren, die zooals de lepelaar (Platalea leucorodia) en het baardmannetje (Panurus biarmicus), resten zijn van een vroegere uitgebreidere verspreiding, die ten aanzien der genoemde vogels, ingekrompen is in hoofdzaak tot een voorkomen bij ons en in de ver afgelegen Donaumonding en de zu'id-russische steppenmeeren. Dat is eene opvatting, die ook reeds door Lauterborn in zijn voortreffelijk opstel (Die geograph. Gliederung des Rheinstroms, 1918) uitgesproken is. . •

3) de Lint, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XIV. Versl. Vergad. 1915, p. XCT.

4) van der Sleen, ibid. (2) XIV. Versl. Verg. 1916, p. Cl."

Sluiten