Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem in het Merwede-kanaal bij Nigtevegt en G. Romyn in de Zuid-Willems-vaart bij 's Hertogenbosch.

Het moge volstaan er op gewezen te hebben, dat ook de Insecten „atlautische" representanten tellen. Zoo noemt Everts ') een aantal kevers vooral van het strand van ons land, die in zuidelijker streken thuis behoorende, langs de kusten van Duitschland onbekend zijn. Hij schrijft dat toe aan den meer directen invloed van den golfstroom; en Uïttenbogaart 2) beschouwt de provincie Zeeland coleopterologisch als uiterste uitlooper van het westereuropeesche subtropische gebied. Verder vermeldt Lauterborn uitdrukkelijk enkele hierbij behoorende Libellen.

Wij zullen later zien, dat ook de marine vischfauna een aantal hierbij behoorende soorten bevat, zooals Hippocampus hippocampus (L.), Pelamys sarcla (Bloch.), Cantharus cantharus (L.) e. a. Van lagere vormen noem ik nog de in het zand gravende Decapode Calianassa subterranea. Het is een uitgesproken zuidelijke kreeft, die reeds van de Belgische kust en een enkele maal van de kust van Oost-Friesland, waar hij zijn noordgrens schijnt te bereiken, opgegeven was. Sedert Juni 1912 kennen wij hem ook van de kust van Texel3) In hetzelfde jaar werd een andere beslist zuidelijke kreeft: Portunus arcuatus voor het eerst met zekerheid en wel dwars van Koog op Texel gevangan *). Wellicht behoort bierbij ook Mysis kervillei G. O. Sars, het eerst uit de Seine-monding vermeld, daarna door Hoek 5) van de Oosterschelde en ten noordwesten van Terschelling. Deze steurkrab is ook uit de Zuiderzee bekend °).

Het is aan toekomstige studie voorbehouden deze slechts vluchtig aangeduide drie elementen, die, verschillend van herkomst, onze fauna samenstellen, verder te ontleden. Bij de geringe afmeting van het onderhavige faunagebied, zal die ontleding daarin haar grootste moeilijkheid ondervinden, dat het bezwaren oplevert, den localen invloed vooral van de bodemgesteldheid en daarmede van het plantenkleed uitteschakelen.

4. Onze beschouwingen zouden onvolledig zijn, als wij geen acht sloegen op een vierden toegangsweg, die voor immigratie wijd openstaat, en wel de zee, die onze lange kustlijn bespoelt.

Boven werden reeds verschillende dieren genoemd, die langs dien weg tot ons gekomen zijn: Corambe, Teredo megotara, Petricola, enkele uit het zuiden tot ons gekomen Crustaceen en visschen, wellicht ook anderen. Maar groot is hun aantal niet en het zijn bewoners van het kustwater of het strand.

Dat de zeeweg een moeilijke, ja in de meeste gevallen een voor landdieren onbegaanbare is, werd reeds boven betoogd. Zien wij af van de reeds besproken soorten, die in het binnenruim van schepen en met hun ladingen tot ons komen en beperken wij ons voorts tot de passieve immigratie, die gebruik maakt van zeestroomingen, drijfhout en andere drijvende voorwerpen zooals wieren, zeegras, de bekende zoo veelvuldig aan onze kust aangespoelde hoogovenslakken van Middelsbro en Clarence in Schotland e. d. m., dan zal wel over zee nauwelijks iets tot ons gekomen zijn, dat op het land of in het zoete water zijn woonplaats heeft.

Wel zijn er eenige visschen te noemen, die ter wille van hun voortplanting, uit zee komende, onze riviermonden binnendringen om zooals de zalm (Saïmo salar L.), het schotje (Trutta trutla L.), de houting (Coregonus oxyrhynchus L.), de elft (Alosa aïosa L. p.p.), de fint (Alosa Jinta Cuv.), de zeeprik (Petromyzon marinus L.), de steur (Acipenser sturio L.) den Rijn, de Maas, den IJssel hooger op te stijgen. .' .

Omgekeerd begeeft zich de geslachtsrijpe aal (Anguilla anguilla L.) uit de rivieren en een gedeelte van het kustwater naar zee, van waar dan het jonge broed weer terugkeert.

Hieraan sluiten zich andere trekvisschen aan, die een gedeelte van hun leven eveneens

1) El). Everts, Coleoptera, welke het meer Zuid. Kustgebied... bewonen etc. Entomolog. Berichten N». 20,1904,p. 179.

2) D. L. Uyttexboogaart, Die Coleopterenfauna der Niederlande. Coleopterolog. Rundschau 1912, Heft VI—VII.

3) J. J. Tesch, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XII. 1912, Versl. Vergad., p. LXXXVIII.

4) j. J. Tesch, 1. s. c. ...

5) P. P. C. Hoek, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) I. Versl. Vergad. 1885, p. CXXV.

6) van Goor, ibid. (2) XV. 1917, Versl. Vergad., p. XXIII.

Sluiten