Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in onze territoriale wateren zoek brengen. Evengoed immers als wij aan de landzijde ons faunagebied door de politieke landsgrens afbakenen, — voorzeker, zoologisch gesproken, een geheel kunstmatige grens, — zoo zal aan de zeezijde de thans nog gebruikelijke politieke demarcatielijn van 3 zeemijlen, die het territoriale water tegenover de vrije zee afgrenst, de eveneens geheel kunstmatige grens van onze litorale fauna vormen.

Onder bovenbedoelde visschen behooren de ansjovis, de Zuiderharing '), de bot, die de Zuiderzee verlaat om zich in de Noordzee voort te planten waarna de jonge individuen weer naar de Zuiderzee terugkeeren de snotdolf (Cyclopierus lumpus L.) e.a.

Minder bekend is, dat evenals bij de vogels, zoo ook onder de visschen verschillende gasten zijn, die ons slechts sporadisch bezoek.en, voorts een aantal verdwaalden, die niet in onze fauna t'huis behooren, waartegen anderen, die daarvoor te boek stonden, wel degelijk blijken bij de nederlandsche fauna gerekend te mogen worden.

Daar, voor zoover mij bekend, hierop nimmer bepaaldelijk acht geslagen werd, moge een korte samenstelling van de mij bekend geworden gevallen volgen. De nederlandsche vindplaatsen zijn daarin opgenomen en het normale voorkomen der soorten:

1. Scombresox saurus (Walbaum), 28 November 1909 aan den Helderschen dijk 13 exemplaren [H. C. Redeke, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) XII. Versl. vergad. Jan. 1910, p. III]. Vroeger niet van onze kust opgegeven. Verspreiding: Atlantische kusten van Europa, Afrika en Noord-Amerika.

2. Hippocampus hippocampus (L.) (H antiquorum Leach). Mei 1901 één exemplaar gevangen door garnalenvisschers bij Vlissingen en in den zomer van 1905 1 exemplaar in de Deurloo, een der zeegaten naar de Westerschelde; twee verdere exemplaren in het daarop volgende jaar in hetzelfde water [C. Kerbert, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) VIT. Versl. vergad. 1902, p. XXXIX en ibid. (2) X. Versl. vergad. 1905, p. III en 1906, p. XXII]. Hieruit blijkt, dat het zeepaardje, bekend van de Middellandsche zee en van de atlantische kusten van Europa tot Engeland als noordelijkste punt, ook bij de nederlandsche fauna behoort.

3. Eaniceps raninus (L.), 24 October en 8 November 1883 telkens een exemplaar van Nieuwediep [C. Kerbert, Tijdschr. v. d. Dierk. V. 1881, p. 18]; 22 September 1884 1 ex. en 4 ex. 9 October 1885 van dezelfde vindplaats en 1 ex. 1 April 1887, haven van IJmuiden [C. Kerbert, Bijdragen tot de Dierkunde, Feestnummer 1888, p. 84]. Maart 1892 een ex. gevangen in een garnalenkor even buiten het Schulpengat [Hoek, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) III. Versl. vergad. 1892, p. CXXL] Een verder exemplaar van onze kust vermeldt Max Weber l.c. Deze soort, eigen aan de Oostzee, de kusten van Scandinavië en Engeland en zeer zelden aan de fransche kust, mag dus wel bij de nederlandsche fauna gerekend worden.

4. Lampris luna (L.), 1822 een exemplaar aan de kust van Groningen [Bakker, Osteographia piscium 1822]; 1836 een exemplaar te Noordwijk gestrand [Jentink, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) II. Versl. vergad. 1888, p. LXVIII]; 1840 een exemplaar door Noordwijksche visschers in den Buitenlek gevangen [A. A. van Bemmelen, Bouwstoffen Fauna v. Nederland III. 1866, p. 336]; 1888 een exemplaar „nabij onze kust gevangen" [Jentink, l.c,]. 1891 een exemplaar „aan de hollandsche kust gevangen" [A. A. van Bemmelen, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) IV. Versl. Vergad. 1891, p. CXII2)]. 15 Juni 1893 strandde een gaaf exemplaar te Callantsoog, dat bewaard wordt in de fauna-collectie van „Artis".

5. Pelamys sarda (Bloch), Juni 1878 een exemplaar nabij Bergen op Zoom gevangen [A. A. W. Hübrecht, Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. IV. Versl. Vergad. 1878. p. 9]. Daar de visschers een naam voor hem hadden en hem „bonitertje" noemden, schijnt hij meer bij ons voor te komen. C. J. Bottemanne [Tijdschr. Ned. Dierk. Ter. V. 1881 Versl. Vergad. p. CIX] vermeldt hem dan ook van de Oosterschelde. Overigens is deze pelagische soort uit den Atlantik en uit de Middellandsche Zee bekend onder den naam Bonito.

C. J. Bottemanne [Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) IV. Versl. Vergad. 1894, p. LXXX]

1) H. C. Redeke, Rapport over onderzoekingen betreffende de visscherij in de Zuiderzee 1917.

2) De Heer van Bemmelen teekent hierbij aan, dat het het zevende exemplaar dier soort is, dat aan onze kust is "waargenomen.

Sluiten