Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na de immigratie-mogelijkheden aangeduid te hebben zijn wij thans zoover gevorderd, dat wij van andere gezichtspunten uit andermaal samenvattend een blik op onze fauna werpen kunnen.

Zooals in elke fauna kunnen wij de volgende groepen onderscheiden:

1. endemische vormen, vormen dus, die eigen zijn aan het nederlandsche fauna-gebied en elders niet voorkomen.

In een land van de geringe afmeting van Nederland, dat bovendien in een uithoek van een groote continentale landmassa ligt, waarvan het noch door gebergten, noch door groote rivieren gescheiden is, waar in tegendeel de rivieren juist ingangspoorten voor invasie vormen, is het voorkomen van eigen soorten niet te verwachten.

Het ware denkbaar, dat een soort, die vroeger een ruimere verspreiding had, bij ons als relict achtergebleven is, zoo als wellicht" het „vuurvlindertje" (Chr//sophanes hippothoë L., Chr. dispar Hw.), maar het zou dan niet „endemisch" zijn, maar bij de volgende categorie behooren.

2. autochthone vormen, die in Nederland uit nederlandsche ouders geboren worden, maar niet eigen alleen aan dat land zijn. Hierbij behoort de overgroote massa der nederlandsche dieren, want daaronder vallen ook immigranten, die bij ons inheemsch geworden zijn.

Wij kunnen de endemische en autochtone vormen ook als indigenen bestempelen, in tegenstelling met de gasten, zooals Syrrhaptes (p. 177), Acherontia en Deilaphila (p. 177), zooals een aantal van de bovengenoemde visschen en Cetaceen, die bij ons geen stamsoorten zijn. In tegenstelling ook met passanten, die vooral onder de vogels vertegenwoordigd zijn. In tegenstelling eindelijk met de „accidenteele" soorten, die boven ter sprake kwamen als onverwachte geintroduceerden of passieve immigranten. Zij komen op een of andere kunstmatige wijze door ongewild toedoen van den mensch met schepen, handelswaren enz. in ons land of door aanspoelsel van rivieren of langs een anderen natuurlijken weg. Zij brengen het in den regel niet tot leden onzer fauna, daar zij na korteren of langeren tijd weer te gronde gaan. Houden zij zich staande, dan is dat gewoonlijk onder omstandigheden, die niet als natuurlijke kunnen beschouwd worden: zoo in pakhuizen, verwarmde kassen of andere verwarmde localiteiten e. d. m.

Dat de relicten onder de autochthone vormen hun plaats vinden even goed als de immigranten, die zich in Nederland ingeburgerd hebben, ligt voor de hand. Het zijn trouwens begrippen van een ander karakter, waaraan het historische moment der wordingsgeschiedenis der fauna ten grondslag ligt, Aan toekomstige studiën is het voorbehouden deze wordingsgeschiedenis verder te doorgronden.

Sluiten