Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar weinig dieren met ascosporangiën in den einddarm; ze zijn bij de laatste vervelling van het dier, waaraan ook de binnenwand van den darm deelneemt mede naar buiten getreden. In Februari en Maart begint het aantal geinfecteerde dieren weer toe te nemen, om ongeveer in September het hoogtepunt te bereiken.

De darm der Onisciden bestaat uit regelmatige rijen groote epitheelcellen, die volgens Schönichen !) niettegenstaande zij duidelijke eelvorm vertoonen, te samen een syncytium zouden vormen. Zij bevatten groote, half vloeibare kernen, die om de veranderingen die zij bij een verminderde osmotische spanning ondergaan interessant zijn om waar te nemen. Naar binnen toe zonderen die epitheelcellen een tamelijk stevige doorschijnende chitinemembraan af. Deze tunica intima, product dus der epitheelcellen, is uiterst fijn en regelmatig ' geperforeerd. Het is tegen dezen chitineusen binnenwand van den darm in het rectale gedeelte, en ook wel iets meer naar den middendarm toe, dat de ascosporangiën worden aangetroffen. 'Fig. 10 Plaat V geeft een stukje van den darmwand te zien, gezien van de binnenzijde. De epitheelcellen liggen onder de doorzichtige chitineuse membraan, waarop de talrijke asci bevestigd zijn. Deze zitten op een zeer kleine verhevenheid van de membraan, het basale gedeelte in een propje slijm gedoken. Van eenige regelmaat of rangschikking in de ligging is niets te bespeuren, wel ziet men af en toe in een darmplooi de asci aan beide zijden op rijen geplaatst, maar iets verder 'liggen zij dan weer schots en scheef door elkander. Een volledige en nauwkeurige beschrijving dezer merkwaardige ascosporangiën met hun sporen zou ik liever willen uitstellen tot het gelukt is deze zwam in kuituur te krijgen. Eenige korte mededeelingon mogen hier ter' plaatse volstaan.

De asci die men in den zomer aantreft zijn bij rijpheid van + 100 > tot 250 ju groot. Zij loozen de sporen slechts bij enkelen te gelijk, zoodat men dikwijls asci aantreft aan welker uiteinden rijpe sporen bezig zijn naar buiten te treden, terwijl aan de basis van den ascus de celinhoud nog niet in afzonderlijke sporen is afgescheiden. De loskomende sporen zijn week en waarschijnlijk kleverig en hechten zich gemakkelijk aan den darmwand in de omgeving van den ouden ascus of blijven bij troepjes in een darmplooi opgehoopt. In den voorzomer zijn de sporen vaak tweekernig terwijl zij in den nazomer over 't algemeen eenkernig zijn, doch ik heb tot mijn spijt dat punt niet nauwkeurig nagegaan. In October en November vindt men nog een andere soort ascosporangiën, die ongeveer 3 a 4 maal zoo lang zijn als de vorigen. Ze liggen meestal iets hooger op, tot zelfs in den middendarm. Zij bevatten tot over de honderd mooie, goedgevormde, aan twee kanten eenigszins toegespitste glimmende sporen, die allen gelijktijdig rijp zijn en soms tot op twee rijen saamgedrongen zijn. (fig. 9). Deze ascosporangiën treft men slechts zelden aan en dan nog wel alleen laat in 't najaar, men zou ze wintersporangiën kunnen noemen, ze kunnen waarschijnlijk in het voorjaar een nieuwe infectie der dieren te weeg brengen. Het is duidelijk, dat de sporen die des zomers uit de zomersporangiën te voorschijn treden, dadelijk weer tot nieuwe asci kunnen uitgroeien. De einddarm, eenmaal van ascosporangiën voorzien, besmet zich zelve voortdurend weer. Stadiën waar men de sporen uit de asci te voorschijn ziet treden en vervolgens een aantal pas aangehechte sporen in verschillende grootte rondom de rijpe asci ziet liggen, komen veelvuldig voor. De groei van deze asci heeft dus klaarblijkelijk plaats door rechtstreeksche opname der darmvloeistoffen. Dat zij nl. daar ter plaatse met eenig weefsel van de zwam in directe verbinding zouden staan acht ik uitgesloten. Veel meer heeft men hier te doen met losse, vrijstaande ascosporangiën die als gevolg van hun parasitische levenswijze het verband met hun moederbodem verloren hebben. De vraag is nu, hoe komen deze ascosporangiën oorspronkelijk in den darm. Voor een antwoord op die.vraag is het noodig de vegetatieve en verdere ontwikkeling van de zwam te leeren kennen. De vegetatieve ontwikkeling geeft aanleiding tot eenige zeer interessante vormveranderingen van den einddarm. Het heeft mij betrekkelijk veel tijd gekost om achter de anatomische bizonderheden van die weefselwoekeringen te komen, daar men meestal bij het uitprepareeren van den darm het

1) W. Scftóntchen, Der Darmkanal der Onisciden und Aselliden. Zeitschrift f. Wissensch. Zool. Bd. 65.

Sluiten