Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat van ectodermatischen oorsprong is. Het kan zich dan bij zijn verdere ontwikkeling in een aantal bochten wringen, waardoor dikwijls een overzicht van het geheel bemoeilijkt wordt. De ascosporangiën bevinden zich nu steeds in groote massa's in dat gedeelte van den einddarm, dat proximaal van den verdikten intimarand ligt. Op het achterste, ectodermale gedeelte, waarop de minutieuse huidtandjes zichtbaar zijn, vindt men wel sporadisch hier en daar een enkel sporangium vastgehecht, doch dit blijft tot de uitzonderingen behooren.

Ik heb hier' in 't kort de voorstelling weergegeven, die ik mij na een langdurig vergelijkend onderzoek van de feiten heb gemaakt. De toestand varieert in werkelijkheid nog al. In enkele gevallen is het spierweefsel zoo hypertrophisch geworden, dat men haast niet anders dan spieren onderscheiden kan. Soms is de overlangsche ventrale darmspleet duidelijk zichtbaar — soms ternauwernood of heelemaal niet te zien. Soms is het kelkvormig aanhangsel flink ontwikkeld, soms slechts aanwezig als een klein uitwasje aan de voet van de spier. Soms bepaalt zich de epitheelwoekering alleen tot de cirkelvormige grens waar 't ectoderm begint, soms is het in hooge mate ontwikkeld en in allerlei bochten gewrongen, of ook gebeurt het wel, dat de darm zich als een afgestroopte handschoenvinger over het geheel heenstulpt en door spierweefsel aan alle zijden vergroeid raakt, zoodat een onduidelijk kluwen van weefsels gevormd wordt.

Deze ongelijkheid van voorkomen kan grootendeels verklaard worden uit het feit, dat de zwam zich des zomers in alle mogelijke stadiën van ontwikkeling bevindt, al naarmate er juist een vervelling heeft plaats gehad of nog moet plaats hebben. Ook is het een groot verschil of men met jonge of oude dieren te doen heeft. Zeer jonge dieren, niet grooter dan 2 a 3 mM., hebben soms den einddarm geheel gevuld met ascosporangiën, zonder dat men evenwel van een sterke hypertrophie, vooral van het spierweefsel in het anale gedeelte iets bemerken kan. Ik heb nooit nagegaan hoe oud pissebedden kunnen worden, maar ik veronderstel, dat zij minstens 3 a 4 jaar oud kunnen worden. Ik vermoed dat bij een dier, dat eenmaal geinfecteerd werd, telkens na iedere vervelling een nieuw kelkvormig aanhangsel kan uitgroeien, dat dan weer nieuwe generatiereeksen van asci in den darm doet ontstaan.

Het is zeer moeilijk na te gaan op wat voor wijze de myceliumdraden met het dierlijk celweefsel zijn verbonden. Het mocht mij niet gelukken langs microchemischen weg de draden te zien te krijgen. Wanneer men met tamelijk sterk pikrienazijnzuur den darm fixeert verliezen de epitheelwoekeringen in korten tijd hun spanning. Men ziet nog eenigen tijd cle langwerpig samengedrukte kernen der epitheelcellen op onregelmatige rijtjes naast elkander liggen, doch bij den minsten druk wijken de cellen uit elkaar.

Het komt mij voor dat het epitheelweefsel geheel ineengevlochten is met de funguscellen. Ook het vliezige celweefsel, dat van de epitheelbanden tusschen de tunica intima en de darmcellen distaal voortwoekert, lijkt mij uit funguscellen te bestaan. In die cellaag (tig. 1, 6, 1 en 10 vl.) ziet men duidelijke fijne celwanden, de kernen zijn goed zichtbaar en deze cellen zijn evenmin bestand tegen sterk azijnzuur.

Het allermoeilijkste is na te gaan uit wat voor cellen het ventrale aanhangsel is opgebouwd. Aan den ventralen darmwand ligt een vleugelvormige spier (fig. 1 en 7 sp.). In achterwaarsche richting precies op de middellijn groeit daaruit het aanhangsel (tig. 1 en 7 aanh.). Soms is een deel der vleugelvormige spieren vergroeid tot een eigenaardig napje, waaruit dan de handvormige steel van het aanhangsel te voorschijn treedt. Daarnaast ziet men dan soms de jongere aanhangsels op komst. Dat de myceeldraden hier zeer nauw verbonden zijn met de spieren, is zeer waarschijnlijk. Men vindt soms individuen waar de spieren van den einddarm alle overgangen van hypertrophie tot algeheele degeneratie vertoonen. Het kelkvormig aanhangsel bestaat zelve uit cellen met kleine kernen en een dieper inwendig gedeelte dat zich door de gebruikelijke aniline kleurstoffen niet laat kleuren. Bij het losscheuren schrompelen de randen eenigszins naar binnen, waardoor het inwendige niet duidelijk meer is waar te nemen. Soms vindt men stadiën als in fig. 8, waarbij de kernen op regelmatige rijen achter elkaar liggen, gescheiden door fijne membranen. Ook treft men vaak in de kelkvormige holte een kleverige slijmprop aan. Dat de buitenzijde van het aanhangsel

Sluiten