Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v. n. uit dierlijk weefsel bestaat, terwijl het inwendig gedeelte uit funguscellen is opgebouwd, acht ik wel waarschijnlijk.

Ik houd het er dan ook voor, dat dit aanhangsel, wanneer het zich over de ventrale spleet van het rectum heenspreidt, de infectie van den darm met sporen, die tot asci uitgroeien, kan bewerkstelligen. Het blijft evenwel een veronderstelling, doch het uiterlijk der cellen in de kelk doet mij wel gelooven in de mogelijkheid, dat zij afgesnoerd kunnen worden in de vorm van eenkernige sporen. Het lijkt misschien eenigszins vreemd, dat deze sporen zoo zij inderdaad uit het kelkvormig aanhangsel afgesnoerd worden, in proximale richting een weg in den darm zouden vinden, doch bij de beschouwing van fig. 7 zal men moeten erkennen, dat dit bezwaar niet heel groot is, te meer omdat bij cle talrijke spiercontracties van den einddarm de sporen gemakkelijk naar het darmgedeelte, dat vóór de chitineuse verdikking ligt, gestuwd kunnen worden en de sporen, eenmaal daar aangeland, door de plooien der epitheelverdikkingen belet worden naar achteren weg te stroomen.

Nieuwe infectie van gezonde dieren heeft hoogstwaarschijnlijk plaats bij de voedselopname door den mond. Bij de eenmaal geïnfecteerde dieren kan na iedere vervelling een nieuw ventraal aanhangsel uitgroeien, dat een nieuwe generatie sporen afzondert, die een nieuwe reeks van opeenvolgende generaties van asci het aanzijn geven. Een nader botanisch onderzoek van deze merkwaardige fungus is zeker nog gewenscht.

Gaarne wil ik hier dank brengen aan Prof. Johanna Westerdijk, die mij bij het botanisch gedeelte van dit onderzoek raad verschafte en mij bij mijn pogingen om deze zwam in kuituur te brengen gastvrijheid verleende op het Phytopathologisch Laboratorium te Amsterdam. In de mycologische litteratuur is deze zwam niet bekend, en ook in de talrijke zoologische geschriften heb ik geen mededeeling over het voorkomen aangetroffen. Waar ik dus het voorrecht heb een naam aan dezen nieuwen Ascomyceet te mogen geven, zou ik daaraan gaarne de herinnering willen verbinden aan onzen algemeen geachten en beminden Directeur van „Artis", Dr. C. Kerbert, ter wiens eere deze feestbundel is samengesteld en deze zwam daarom Kerbertia willen noemen. Aan den geslachtsnaam Kerbertia zij dan de soortsnaam oniscidarum toegevoegd.

Hoe schijnbaar nietig ook het voorwerp moge wezen waarover Dr. Kerbert nu het peetschap gaat aanvaarden, de bioloog ziet in gedachten meer dan het enkele voorwerp. In gedachten blikt hij terug op lange tijdperken van duister verleden, waarin Kerbertia oniscidarum met wisselende kansen haar strijd om bestaan voerde en vragend blijft hij stilstaan bij het raadsel van haar oorsprong, om dan den blik te wenden naar de komende tijdperken waarin dit organisme zal blijven doorgaan met zich voort te planten en hij beseft, dat Lij het raadsel van haar biologisch einde of misschien ook wel biologische toekomst al evenmin benaderen kan.

Sluiten