Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijzen van de Deli-tabak een geheel ander beeld ontstaan. Een enkel woord over die methoden en den invloed ervan op het landschap en op de dierenwereld kan hier moeilijk gemist worden.

Al kort na de ontdekking van Deli als tabaksland hebben de planters bemerkt, dat niet jaar in jaar uit op hetzelfde terrein met succes Deli-tabak geteeld kan worden, dat integendeel een langdurige rustperiode van het land noodzakelijk is, een poos van braakliggen, die in verreweg de meeste gevallen minstens 7 jaar moet bedragen, m. a. w. dat het tabaksland gemiddeld slechts eens in de 8 jaren werkelijk in cultuur genomen kan worden. Daaruit volgt, dat elke tabaksonderneming minstens acht maal zooveel terrein dient te bezitten, als zij jaarlijks wil beplanten; in de meeste gevallen is die verhouding nog grooter; slechts Vs, of Vio of V20 van haar oppervlak is dus op een zeker tijdstip in een of ander stadium van cultuur, de rest ligt braak.

De gang van zaken bij de tabakscultuur is nu in het kort deze. Bij het openen van een nieuwe onderneming — dat tegenwoordig feitelijk niet meer voorkomt, omdat de beste streken reeds sinds een halve eeuw bezet zijn — wordt eerst de oorspronkelijke plantenwereld gekapt en het hout verbrand, zoodat men het terrein goed kan reinigen en plantklaar maken; de tabak wordt clan geplant in de eerste helft van het kalender-jaar; na eenige maanden is de oogst reeds afgeloopen, worden de afgeplukte tabaksstengels uitgetrokken en het land aan den inlander gegeven om één oogst droge rijst erop te telen.

Die z. g. padi gogo ontwikkelt zich in de tweede helft van het jaar, in den grooten regentijd, en wordt rijp, wanneer deze afloopt en de droge periode weder aanvangt.

Na dat rijstgewas wordt het land aan zich zelf' overgelaten, en kan de wilde plantenwereld zich ongehinderd gaan ontwikkelen. Het behoeft niet gezegd te worden, dat die nieuwe vegetatie maar weinig op de oorspronkelijke maagdelijke zal kunnen gelijken. Weliswaar zijn de inlandsche rijstplanters verplicht de jonge boompjes, welke tusschen het padigewas opschieten, ongemoeid te laten, maar daar hun oogst erdoor benadeeld wordt, komt van dat voorschrift in de praktijk dikwijls niet veel terecht. Ongelukkigerwijze werkt de meestal droge tijd na de padi-oogst een ontkieming en slagen van de in den bodem rustende zaden niet zeer in de hand, terwijl bovendien de algemeene omstandigheden zoodanig veranderd zijn, dat het aan tal dier oorspronkelijke oerboschplanten onmogelijk is zich te ontwikkelen; slechts betrekkelijk weinig boomsoorten zijn daartoe nu nog in staat en deze vormen clan het secundaire of jonge bosch. Veelal is de androng, Trema amboinensis, daarvan een voornaam bestanddeel, en voorts is er een dichte ondergroei van tal van struiken (0. a. Lantana camara) en kruiden.

7, 8 en meer jaren blijft dit alles aan zich zelf overgelaten, daarna wordt weer gekapt en verbrand; dezen tweeden slag komen weer meer soorten niet te boven (niet uit het oog verloren moet worden, dat de physische toestand van den bodem door alle bewerkingen sterk veranderd wordt en vele soorten ook daardoor beinvloed worden); gewoonlijk ontwikkelt het jonge bosch zich na deze tweede maal tabak en rijst minder dan de eerste keer; op open plekken en langs de randen, waar de zon geregeld kan schijnen treedt de groote tropische plantaardige veroveraar, de grassoort alang-alang (Imperata arundinacea) met bladeren van 1 —li M. lengte, op en begint zij haar zegetocht. Branden, die bij droogte gemakkelijk ontstaan, en de meeste andere planten te gronde richten, deren haar weinig; het bovengrondsche deel sterft daarbij natuurlijk, maar de wortelstok blijft ongedeerd en zendt onmiddellijk nieuwe bladeren naar boven, zoodat alle andere kiemplanten overwoekerd wTorden.

Ten slotte ontstaan de uitgestrekte lalang-velden met slechts hier en daar plekken jong bosch, waarvoor het laagland van Sumatra's Oostkust en de Bataksche Hoogvlakte zoo berucht is.

Niet overal echter is de toestand, als hierboven geschilderd werd. Vele tabaksplanters zijn zich reeds lang geleden bewust geworden van den slechten invloed der alang-alangvegetatie op hun tabaksgronden en hebben zich krachtig toegelegd op herbossching, vnl. door

Sluiten