Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middel van Albizzia moluccana, een der snelst groeiende boomsoorten van Ned.-Indië, en in de laatste jaren met Crotalaria striata, een eenjarige Leguminose. Daardoor ontstaat op de daarmede gereboiseerde terreinen een niet zoo bijzonder soorten-arm jong bosch.

Dat de invloed van de boven geschetste toestanden, waarbij geregeld eens in de minstens acht jaar het land volkomen van zijn plantendek ontdaan wordt, op de dierenwereld geweldig is, spreekt van zelf; de grootste verandering heeft natuurlijk plaats bij het vernietigen van het oorspronkelijk woud, terwijl men van de fauna van het de eerste maal optredend secundaire jonge bosch af tot die der zuivere alang-alang-stréken toe alle stadiën van verarming kan aantreffen.

In den loop der jaren heeft dus de samenstelling van de avifauna der Delische laagvlakte een belangrijke wijziging moeten ondergaan; ook om de tegenwoordige vast te leggen en vergelijkingen met vroegere waarnemingen te kunnen maken, heeft onze lijst misschien eenige wTaarde.

Slechts op een paar plaatsen van de Delische laagvlakte zijn sawah's aangelegd; ik noem die ten noorden van Perbaoengan, welke naam menigmaal in de lijst genoemd wordt bij typische moerasvogels als Ardeidae en Rallidae, en die in de buurt van Medan op cle tabaksgronden van de onderneming Padang Boelan, welke trouwens een belangrijk deel van het jaar niet in cultuur zijn, maar dan een verwilderd moeras vormen.

De groote rubber-, thee- en koffie-ondernemingen liggen hoofdzakelijk om de tabaksstreken heen gegroepeerd; die permanente cultuurgewassen vormen uitteraard zeer eentonige gebieden, doch veelal zijn zij omgeven met terreinen, die nog in oorspronkelijken toestand verkeereu en een rijke fauna herbergen.

Naar het Zuidwesten stijgt de bodem geleidelijk en gaat het heuvelland allengs in de Batakbergen over; voor het grootste gedeelte zijn deze nog bedekt met oerbosch, dat op de eene plaats, al naarmate de cultures niet of wel ver voortgedrongen zijn, veel dieper langs de hellingen afdaalt dan op de andere.

Deze Batak-bergen, officieel het VAN-HEüïsz-gebergte geheeten, bestaan uit slechts enkele, door diepe dalen gescheiden, bergkammen achter elkaar en vormen een niet zeer diepe reeks, op sommige punten in een rechte lijn niet meer dan een half dozijn kilometers, hoewel de weg van Bandar Ba roe naar het Zuiden tot aan het punt, waar hij de bergen verlaat en op de Hoogvlakte uitkomt, belangrijk langer is door de talrijke bochten en kronkelingen, noodig tengevolge van de steile hellingen; over 5 K.M. is er een stijging van 500 M., terwijl de pashoogte op 1450 M. en de hoogste bergtop op ongeveer 2000 M. boven zee gelegen is.

Ook de flanken aan de Zuidwestelijke zijde zijn met oerbosch bedekt; daar evenwel dalen de hellingen niet geleidelijk af naar een laagland, doch naar een nagenoeg boomlooze heuvelachtige hoogvlakte, de Karo-Hoogvlakte, 1200—1400 M. boven zee, voor een deel met de reeds genoemde lalang en adelaarsvaren bedekt, voor een ander deel ingenomen door den primitieven landbouw der Karo-Batakkers en diep ingesneden door talrijke steilwandige dalen, waarvan de bodem veelal door sawah's is bedekt en waar een riviertje stroomt. Op de grenzen woedt een voortdurende strijd tusschen de lalang en het oerbosch, dat onophoudelijk meer op de bergen teruggedrongen wordt en op de Hoogvlakte zelf zich alleen staande heeft kunnen houden in complexen van beperkten omvang bij en om de dorpen der Karo-Batakkers, op de hellingen van een aantal der rivierinsnijdingen en op de toppen deigeïsoleerd staande bergen.

Het geheele landschapsbeeld is volkomen verschillend van dat aan de Noordoostzijde der bergen; de beide fauna's wijken vrij belangrijk van elkaar af, gelijk bij het kennisnemen der vindplaatsen duidelijk zal blijken.

Sluiten