Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet zeldzaam bij hooge boomen. Merkwaardig is de kever in de maag van b. Eieren dofwit.

1 ei. Serbadjadi, Mei 1915. 28 X 22 m.M.

131. Cyanops oorli (jS. Muller).

a, 9. Brastagi.

b, c.

Alle exemplaren zijn afkomstig van de oerbosschen bij Brastagi op de Hoogvlakte in Februari 1913. Van lagere streken verkreeg ik geen enkel stnk.

132. Mesobucco duvauceli Less.. a, f. Serbadjadi. 12 Juni 1914.

133. Xantholaema haematoceplialum (P. L. S. Muller).

a—c. Medan. April 1912.

d. Saentis. 8 Juni 1912.

e. Medan. September 1912. Vruchtmoes en zaden.

f. Sibolangit. 21 November 1912. 15>/2 c.M. zaden. Mal.: ntoek-ntoek, toekang kajoe.

Hoogst algemeen in de laagvlakte, van hoogere streken dan Sibolangit verkreeg ik geen exemplaren. Men ziet de vogels, ofschoon zij vooral in bewoonde plaatsen veelvuldig zijn, overigens zelden, eerstens doordat zij zich vrijwel uitsluitend in de toppen der boomen ophouden, en ten tweede ten gevolge van het grootendeels groene vederkleed, dat hen tusschen de bladeren uiterst moeilijk zichtbaar maakt. Hooren doet men ze te meer; voortdurend is het eentoonige ntoek-ntoek-ntoek (waaraan de Maleische naam ontleend is) verneembaar. Deze kloppende, wat metaalachtige toon wordt in onregelmatig afgebroken reeksen van weinig tot zeer veel keeren tot in het oneindige herhaald; waren er geen onderbrekingen, dan zou het aantal keeren ongeveer 100—120 per minunt zijn.

Evenals waarschijnlijk ook de andere Capitonidae nestelt deze soort in holen in stammen en takken; ik vond de eieren daarin op een laag fijne houtspaanders liggen.

Eieren dof, helder wit.

2 eieren. Medan. 20 April 1913. 22X15, 24X16 m.M.

2 eieren (één legsel). Paggar Marbau. 3 Juni 1911. 24 X 17 m.M.

134. Psilopogon pyrolophus S. Muller.

a—c. Brastagi. Februari 1913. d—g. Bandar Baroe. Maart 1914.

Een exemplaar had vruchten in den maag.

Deze soort is mij alleen bekend van de oerbosschen op de bergen, 1000 en meer M. boven zee, en van de oerboschresten op de Hoogvlakte; daar algemeen o. a. bij Kaban Djahé.

XXVIII. PICIDAE;

135. Gecinus vittatus (Vieill.).

a. <ƒ. Saentis. 27 Mei 1912. Mierenresten.

b. cf. Medan. Augustus 1912.

c. cf. » 5 October 1912. 26 c.M. Zeer vele mieren.

d. cf. » 27 » » 26'/2cM. » » »

e. 9. » 29 » » 23 c.M. » » »

Vrij algemeen; niet in de bergen waargenomen. Eieren glanzend wit. 1 ei. 28 X 19 m.M.

136. Gecinus puniceus observandus (Hart.). a. Sennah. 5 November 1912. 22 c.M. Mierenresten.

Sluiten