Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zeer diepe komvormige nest wordt in het hooge gras, veelal op de bermen van wegen, dicht of vlak bij den bodem gemaakt.

De eieren zijn te onderscheiden in 2 hoofdtypen: a. volkomen effen gekleurd, en b. vrij dicht gestippelde; bepaalde overgangen ertusschen heb ik niet verkregen.

De schaal is een klein weinig glimmend; de grondkleur van heel flauw blauw, soms bijna wit, tot lichtblauw; de fijne stippen, indien aanwezig, zijn meer of minder licht wat flets paarsrood, soms vrij dicht en gelijkmatig over het geheele ei verspreid, soms wat minder in aantal, met duidelijke aanwijzing van een krans of kap om de stompe helft.

Wel en niet gespikkelde exemplaren werden nooit in één nest waargenomen.

a. gespikkeld type:

3 eieren (één legsel). Medan. 19 Mei 1915. 15x11 m.M.

3 eieren. Batang Kwis. Mei 1915. 14x11 m.M.

1 ei. Sampali. 12 Juni 1915. 15x11 m.M.

Bij 15 andere exemplaren is er één met de afmetingen 16 X 11 m.M.

b. volkomen effen type:

4 eieren (één legsel). Medan. 6 Juni 1915. 13x11, 14x11 m.M. 4 , 15 Juli 1915. 14x11 m.M.

2 „ „10 Juli 1915. 14x11

1 ei, wit. „ 26 Juni 1915. 14x11

Bij 6 andere exemplaren is er één met de afwijkende maten 16x11 m.M.

233. Phyllergates cucullatus Temm.. a. Kaban Djahé. 25 Mei 1915.

234. Suya superciliaris Anderson.

a, b. Bandar Baroe. 26 Maart 1915. c. Kaban Djahé. 26 Mei 1915.

Mij alleen van de hoogere streken bekend.

Eieren groenblauw met vele roestbruine vlekjes, iets dichter bij het stompe einde.

3 eieren (één legsel). Bandar Baroe. 27 Maart 1915. 16 X 12, 17 x 12 m.M.

235. Burnesia flaviventris (Deless.).

a. Medan. 22 Mei 1912.

b. » 25 Mei »

c. » 14 Mei 1914. Mal.: se man gat padi.

Algemeen op de open met gras en ruigte begroeide terreinen in de lage streken. Eieren kastanjebruin, glanzend; soms flauw gewolkt.

3 eieren (één legsel). Medan. 14 Mei 1915. 14x11 m.M.

2 „ „ „ Batang Kwis. Mei 1915. 15x11 m.M.

4 , „ „ Medan. 16 Juli 1915. 14x12, 15x11, 15x12 m.M. Nog een aantal exemplaren met dezelfde afmetingen.

XXXVIII. ARTAMIDAE. 236. Artamns leucogaster (Val.).

a.

Algemeen, zoowel in de laagvlakte als in hoogere streken.

Grondkleur eieren wit, aan de stompe helft vrij groote zeer lichtgrijspaarsche vlekken; 1 ex. met verder alleen enkele kleine lichtbruine vlekjes, een ander met een grooter aantal paarsbiuine stippen, een derde met groote dofbruine vlekken.

Vorm soms gedrongen, soms gerekt.

1 ei. Medan. 10 Juli 1915. 25x17 m.M.

2 eieren. 23x 18, 24 x 17 m.M.

Sluiten