Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«lering in de positie van de wereld tegenover Duitschland uit. Was zij tot dusver imperialistisch gesplitst en juist daardoor Duitschland de machtigste factor in haar midden geweest, volgens het spreekwoord: divide et impera, thans traden alle tegenstellingen tusschen -de afzonderlijke staten op den achtergrond voor de tegenstelling met het Duitsehe rijk, waardoor zij zich alle bedreigd voelden. Het begin van deze noodlottige verandering in de Duitsehe wereldpolitiek was •de vlootwet van 1897, die den vlootbouwwedstrijd met Engeland inleidde en slechts dan verklaarbaar werd als zij dienstbaar was aan het einddoel: vernietiging van do Engelsche zeemacht. Dat is ook vaak genoeg, met name door Al-Duitsche bladen en politici als de taak van de Duitsehe wapening ter zee aangeduid.

Daardoor prikkelde men de openbare meening in Engeland op het uiterste tegen Duitschland. In het tijdperk der Napoleontische oorlogen had het Britsche rijk de heerschappij ter zee verkregen, en geen mogendheid heeft het sedert dien ondernomen, haar to willen aantasten. Deze heerschappij zelf had na den vrede van Weenen haar karakter aanzienlijk verzacht. In de eerste decenniën van de negentiende eeuw was Groot-Brittannië nog een sterk agrarisch land, dat in geval van nood in zijn eigen behoefte kon voorzien. Later was dat geheel anders. Als het meest industrieele van alle. landen, zag het zich spoedig niet alleen ten opzichte van grondstoffen, maar ook van voedingsmiddelen meer dan welk ander gebied, afhankelijk van grooten invoer van buiten.

Nog in 1850 was in Engeland, Wales en Schotland alleen (zonder Ierland) de landbevolking even talrijk als do bevolking der steden. In het jaar 1911 daarentegen maakte de bevolking van de steden in Engeland met Wales 78 pet., en in Schotland 75 pot. vaü dë heele bevolking uit.

In do achttiende eeuw was Engeland een graanuitvoerend land geweest. In het begin van de 19de eeuw was zijn tarweproductie nog bijna voldoende voor de binnenlaindsche behoefte. Tusschen 1811 en 1820 werd gemiddeld per jaar slechts 400,000 ton tarwe ingevoerd. In het jaar 1850 had men reeds een invoer van bijna 4 millioen, in 1909 het tienvoudige, bij een eigen productie van slechts 7 millioen. Kort voor den ■oorlog was 84 procent van het in Engeland gebruikte tarwe uit het buitenland ingevoerd.

Deze heele aanvoer kwam uitsluitend over zee. Dat beduidt dat Engeland in geval van een oorlog aan den

2

Sluiten