Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mermann uiteen. Dat gaf hun geen aanleiding, op de Oostenrijkere remmend te werken.

Het reeds vermelde witboek van Juni 1919, dat in werkelijkheid een witwasschingsboek was, merkt weliswaar op:

„Het ministerie van buitenlandsche zaken te Weenen heeft er later waarde aan gehecht, vast te stellen, dat het in de zuiver persoonlijke opvattingen van graaf Hoyos, die de verwerving van Servisch gebied en zelfs een verdeeling van Servië omvatten, niet deelde." (bldz. 56).

Maar deze mededeeling is niet heelemaal juist. Het ministerie heeft wel verklaard, dat de opvattingen van graaf Hoyos zijn persoonlijke opvattingen waren; het heeft echter nooit ondubbelzinnig laten blijken dat het andere opvattingen koesterde, en het kon dat ook niet, reeds niet omdat de opvattingen van den heer legatie-raad volkomen met de opvattingen van zijn meerdere, minister Berchtold, overeenstemden. Het ministerie van buitenlandsche zaken te Weenen heeft dan ook nooit verraden, welke zijn bedoelingen met betrekking tot Servië waren. Intusschen, zelfs indien het slechts gedeeltelijk desavoueeren (Abrüeken) van Hoyos. een geruststellende opheldering over de Oostenrijksche plannen was geweest, zoo vond dit toch in elk geval later plaats, pas na den 5den Juli, waarop de Oostenrijksche gezant te Berlijn aan den Duitschen Keizer den eigenhandig geschreven brief van Frans Jozef overhandigde en de beslissende besluiten genomen werden.

Over de beraadslagingen van dien dag, die de verbeeldingskracht van de buitenwereld te levendiger bezig hielden, naarmate men er minder van wist, is veel gebazeld. Er had, zeide men, een kroonraad te Potsdam plaats gevonden, waaraan aartshertog Frederik, graaf Berchtold en Conrad von Hötzendorf deelnamen en waarin tot den oorlog tegen Servië of zelfs den wereldoorlog besloten werd. Het reeds aangehaalde Witboek van Juni toont aan, dat deze kroonraad een legende is. Als bewijs citeert het Sir Horace Rumbold, bij het uitbreken van den oorlog Engeisch ambassaderaad te Berlijn, die het onwaarschijnlijk acht, dat zulk een kroonraad plaats gevonden heeft. Hij- is die meening toegedaan niet wegens, maar ondanks de betuigingen van de Duitsehe regeering: „De tot gewoonte geworden leugenachtigheid van de Duitsehe regeering is inderdaad zoo groot, dat ik onwillekeurig in de verzoeking kom, om aan elke door naar geloochende mededeeling geloof te schenken."

Sluiten