Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Graaf Berchtold was een andere meening toegedaan.

Hij gaf te kennen, dat hij zich alleen onder zeker voorbehoud bij deze opvatting kon aansluiten. Ook hij was van meening, dat Oostenrük-Hongarije geen gebied van Servië moest inlijven, doch wel vondnij, dat zoo groot mogelijke stukken aan Bulgarije, Griekenland en Albanië, en zoo noodig ook aan Boemenië moesten worden toegewezen. Servië moest zoo klein gemaakt worden, „dat het niet gevaarlijk meer zijn zou." Maar, de toestand op het Balkanschiereüand zou zich ook kunnen wijzigen. Het was mogelijk, „dat het ons aan het eind van den oorlog niet meer mogelijk zal zijn om niets in te Kjven."

Men zie* het, de meening, die graaf Hoyos den Ben Juli te Berlijn ontvouwd had, was niet alleen de zqne, maar eveneens die van graaf Berchtold.

Graaf Tisza weigerde echter het voorbehoud van graaf Berchtold te aanvaarden. Graaf Stürgkh gaf te kennen, dat men zich, ook als bezetting van deelen van het Servische gebied uitgesloten was, door het afzetten van de dynastie, door een militaire overeenkomst of door andere soortgelijke maatregelen zou kunnen vrijwaren. Daar de minister van oorlog bereid bleek, zich bij de beperking van een inlijving tot enkel strategische grenswijzigingen en de blijvende bezetting van een bruggehoofd aan den anderen oever van de Sau neer te leggen, namen de aanwezige ministers met algemeens stemmen het volgende besluit:

„dat dadelijk bij het uitbreken van den oorlog aan de vreemde mogendheden te kennen zon worden gegeven, dat de monarchie geen veroveringsoorlog voerde en niet voornemens was het koninkrijk in te lijven. Natuurlijk zouden strategisch noodzakelijke grensverbeteringen, evenals een verkleining van Servië ten gunste van andere staten en mogelijkerwijs noodzakelijke tijdelijke bezettingen van Servische streken door dit besluit niet uitgesloten zijn." (Eoodboek 1919. Blz. 65—67).

Van dit heele programma deelde men voorsiohtiglijk den mogendheden alleen de eerste zinsnede mede, dat _da monarchie geen veroveringsoorlog" voerde. Men verdonkeremaande voor het publiek de andere zinnen, die metterdaad het verloochende programma van graat Hoyos inhielden en tevens het voorbehoud van graat Berchtold niet nitsloten, dat hij z«0 fijntjes uitgedrukt had met de woorden, dat het ons „aan het eind van den

Sluiten