Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor den Christen is het historisch-materialisme veroordeeld en daardoor tevens de leer van den klassenstrijd van haar grondslag beroofd. Maar ook afgezien van de ondeugdelijkheid van haar fundament is deze theorie onhoudbaar; zij is ten eenenmale in strijd met de feiten.

Wat is er waar van de bewering, dat onze maatschappij het beeld levert van twee klassen, die steeds scherper tegenover elkaar komen te staan en wier strijd, de eenige factor van den vooruit, gang, moet uitloopen op eene gewelddadige revolutie, die voor de thans geldende kapitalistische, eene nieuwe, de socialistische, productiewijze in de plaats zal stellen, waarbij van vijandige klassen geen sprake meer zal wezen, maar allen harmonisch tot een schoon doel zullen samenwerken?

Welke zijn de klassen en wat is hun criterium? Dit moet wel boven alles vaststaan. Indien men als lid eener klasse heeft te vechten op leven en dood tegen zijne wederpartijders, welaan het zij zool Maar dan heeft men er minstens recht pp, precies en nauwkeurig te weten tegen welke individuen men zijne aanvallen heeft te richten. Het is onduldbaar, dat daaromtrent onzekerheid bestaat. Men moet èn vriend èn vijand kennen. Het ware al te tragisch, indien een wel voorbereide en goed geleide aanval, eensklaps, temidden van de uitvoering, gericht bleek tegen het verkeerde kamp. Er dient een duidelijk onderscheid te wezen tusschen de vijandelijke groepen en de eigen strijdmakkers. Maar helaas zijn er velen, wier uniform geen kleur vertoont of wel schijnt samengesteld uit stukken, bij beide strijdende partijen in gebruik. En vandaar grenzenlooze verwarring. Wie is bezitter en wie nietbezitter, wie exploiteert en wie wordt geëxploiteerd, wie is bourgeois en wie proletariër?

Het antwoord is niet bevredigend. In Het Volk van 29 Mei 1906 schreef den heer VAN DER GOES:

„Het ontvangen van een inkomen uit de meerwaarde, al of niet onder eigen toezicht als leider van arbeidsprocessen gewonnen, stempelt iemand tot bezitter. Het voortbrengen van meerwaarde tot arbeider..." De schrijver was van meening, dat deze uiteenzetting eene verduidelijking noodig had en liet daarom volgen: „Wij bedoelen met bezitters niet alle eigenaren van productiemiddelen, alleen die betrekkelijk weinige eigenaren die zóóveel productiemiddelen bezitten, dat ze een eigen belang hebben

Sluiten