Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standenvertegenwoordiging ten onzent opgeheven en het rechtstreeksche kiesrecht ingevoerd.

Voortdurend is dit uitgebreid en hier, evenals in de meeste landen, door algemeen stemrecht vervangen.

De invoering van den persoonlijken dienstplicht heeft door een voorrecht van de meergegoeden eene streep gehaald.

De wetgeving wordt in toenemende mate dienstbaar gemaakt aan het oefenen van „sociale rechtvaardigheid". Het belastingstelsel ondergaat telkens wijziging in de richting van belasting naar draagkracht. Op sociaal terrein volgt de eene maatregel na den anderen, om misstanden op te heffen en het gewicht van de staatsmacht in de schaal te werpen ten bate der „bezitloozen". De arbeidsduur wordt verkort, de arbeidstijd binnen bepaalde grenzen beperkt. De sobere bepalingen over huur van diensten hebben plaats gemaakt voor eene reeks voorschriften, die een geheel anderen geest ademen dan de oude artikelen. Werd vroeger de meester, in bepaalde gevallen, tegenover dienstboden en werklieden, op zijn woord geloofd, thans heeft voor de wet het „neen" van den werkman evenveel waarde als het „ja" van den patroon.

De staat is geen klassestaat maar rechtsstaat; ook in dien zin, dat niemand, wijl hij tot eene bepaalde klasse behoort, bij anderen wordt achtergesteld.' De neiging om van den staat een klasseinstituut te maken, openbaart zich slechts bij de aanhangers van de klassenstrijd-leer. Toen een sociaal-democratisch burgemeester voor enkele jaren de verklaring had afgelegd, dat hij zich boven de partijen zou stellen, schreef de heer van DER GoES in het weekblad van Het Volk: „De vraag doet zich voor of wij strijden voor de verovering van de staatsmacht om onze mannen, zoodra hun een stukje van die macht ten deel valt, zich te zien stellen boven de partij welke hun op die plaats heeft gebracht. Wij hebben tot dusver een aan ons vijandige kracht in de Staatsmacht gezien, en wij willen op haar beslag leggen om die sterke instellingen nu voortaan ten behoeve van het proletariaat te gebruiken. Het leerstuk van de onpartijdige overheid is met die opvatting onvereenigbaar". Hij merkte verder op, „dat de eisch van onpartijdigheid onzerzijds alleen voor onze tegenstanders gold. Wij hebben gezegd: weest minstens onpartijdig, meer kunnen wij van burgerlijke autoriteiten niet verlangen, dan dat zij zich aan hun eigen leerstellingen omtrent de positie van den Staat en de taak

Sluiten