Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toch er in onze oogen een leemte, er is iets dat ontbreekt. Wat zou het toch kunnen zijn ?

Voertuigen van allerlei soort zijn er en menschen ook, maar — daar heb je het juist — er zijn geen straatjongens. Geen straatjongens! en wij burgers van Amsterdam hebben dat niet direct opgemerkt. — Onbegrijpelijk !

In onze veste zouden wij het niet weten hoe wij het hadden als zij er niet waren, want het is juist de straatjeugd, die onze stad zoo opvroolijkt en een beetje leven in de brouwerij brengt.

Wat zou de politie te doen hebben als er geen straatjeugd was ? Wel, heelemaal niets. Nu daarentegen worden zij prettig bezig gehouden, hun geheele dienst is niets dan een lange strijd tegen die „kings of the gutter", en ofschoon zij nog nimmer zelfs de kleinste overwinning op hunne vlug-voetige tegenstandertjes behaald hebben, geven zij den kamp niet op.

Tegenstandertjes, zeide ik, maar ik vraag de straatjeugd excuus voor dit woord. Niet op minachtende wijze bedoelde ik het, want ofschoon zij physisch wel is waar klein zijn, zijn hunne daden, gelijk die van Piet Hein, toch groot. Hebben zij hun kracht niet vaak genoeg getoond ? Hebben zij niet eens na een verwoed gevecht onze stadsverdedigers op de vlucht gejaagd? Hebben zij niet gedurende een week lang de passage over de Blaauwbrug gestremd en de macht van de politie geparaliseerd ?

Kings of the gutter ?(*) Neen „Kings of the

*) „Koningen van de goten."

Sluiten