Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sjuu—uut! De tafel komt al hooger en hooger en ik zit bijna met mijn neus op de tafel.

Ik begrijp nu ook waarom de kopjes maar half gevuld zijn, want zelfs nu nog komt de koffie tot vlak aan den rand. Vreemd, nu bet eten voor mij staat, is mijn eetlust verminderd.

Het eten is dan ook lastig. Die ham en eieren zijn geen oogenblik stil en je moet ze zoo te zeggen met mes en vork achterna zitten, Nu eens kan je met. uitgestrekte] armen ternauwernood het bord bereiken, en dan schijnt het eten, gelijk de gebraden ganzen van Luilekkerland, je zoo maar in den mond te willen vliegen.

Met moeite slik ik een hapje, maar het blijft bijna in mijn keel zitten. Neen, die ham en eieren lust ik niet. Ik zal maar wat visch bestellen.

Mijn overbuur glimlacht op een hatelijke wijze, terwijl hij aan zijn beschuit knabbelt.

Wat kan het mij eigenlijk schelen. Moet ik voor zijn plaizier soms ham en eieren eten ? Ik eet ze toch- bijna nooit, dus waarom zou ik ze vandaag juist wel eten?

De visch staat voor me, maar ik gevoel me net alsof ik al ontbeten heb — niet den minsten eetlust meer.

Ik proef een heel klein stukje visch, en de visch, die anders zoo lekker is, lijkt nu wel zaagsel in den mond. Ik moet een dronk koffie nemen om het naar beneden te krijgen. Mijn overbuur- slaat mij oplettend gade. — Vervelende kerel! ik wou maar dat hij wegging. .

Sluiten