Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de woeste zee en dan weder loopen zij stampvoetend over de brug heen en weer met dien eigenaardigen zwareu gang, den zeeman eigen.

Het dek is aan de golven overgelaten, op dezelfde manier dat men aan Engeland Egypte overlaat. Dat is te zeggen, de golven hebben het dek in beslag genomen, zij zijn er nu eenmaal de baas, zij schijnen van plan er te blijven en daarom laat men ze er maar. Er staat bijna geregeld een voet water op, daar er voel meer op komt dan door de spuigaten weg kan loopen.

Sjuu—uut helt de boot naar bakboord over, en schuimend, één massa witte room gelijk, vliegt het water over het dek. De verschansing staat half onder; daar richt het schip zich op en sjuu—uut komt al het water weer naar stuurboord.

Plons ! Een omkrullende golf valt op dek, hoog opspattend. Zoo ver het oog maar reikt, komen de lange grauwe golven aanrollen en op de grootere golven zijn weer kleinere, die elkander najagen en in hun haast schijnen te struikelen en in schuim vergaan. Egaal grijs is nu de lucht, het regent niet, maar de wind is beladen met waterdeelen. Alles is glimmend en nat.

En de machine bonst en stampt, de wind giert om het schip en overal bruist het water. Nu eens zijn wij hoog opgelicht boven op een golf, dan weder plonst ons schip naar beneden en steekt zijn neus in de golven, zoodat de geheel e voorsteven onder het water verdwijnt.

Sluiten