Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het een heel flauwe mop — en dat nog wel van een meisje, dat bijna haar leven aan mij verschuldigd is. .Nijdig trek ik mij in de rookkamer terug.

Hoog oprijzend boven het lage land verschijnt de vuurtoren van Port-Saïd,

Deze vuurtoren teekent een scherpe afbakening op onze reis, het is de overgang van het Westen naar het Oosten, een overgang plotseling zonder voorbereidin g.

Zoodra wij te Port-Saïd liggen, voelen wij dat het Oostersche, het tropische gedeelte van onze reis, aangevangen is.

Port-Saïd heeft zijn opkomst geheel aan het Suezkanaal te danken; vroeger was het slechts een zeer onbeduidend plaatsje.

Wij liggen tusschen een vloot van schepen vastgemeerd. Aan de eene zijde schitteren, verbbndend wit, de gekalkte huizen van Port-Saïd in de zon, en aan de andere zijde zijn lucht en hemel en alles wat men ziet, zwart. Het zijn de kolenschepen, dio hun lading lossen, en de lucht is zwaar van steenkolensto%

Aan boord is het niet meer uit te houden. Op het dek, op de verschansing, overal valt de zwarte stof, alles- wat men aanraakt is vuil, en daar wij geen lust' hebben om ons in schoorsteenvegers te metamorphoseeren, verlaten wij het schip om te zien, wat er in Port-Saïd te zien is.

Sluiten