Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

atmosfeer beneden verdwijnt en men voelt zich alsof men uit een lauw slijmerig meertje in eene bruisende, kristalheldere bergbeek komt.

Van het hotel zelf wil ik niets zeggen „honi soit qui mal y pense", maar het wordt wel tijd dat het vernieuwd wordt, als het tenminste niet reeds gedaan is.

De omstreken echter zijn verrukkelijk: kronkelend langs den heuvel talrijke wandelpaadjes en overal bloemen, smaakvol hier en daar geplant, alsof moeder natuur het zelf had gedaan. Daar zien wij weer rozen en andere Europee3che bloemen, die wij met vreugde begroeten, en aardbeziënplanten (waar echter, voor zoover ik weet, nog nooit een aardbei aan geweest is).

En in een kom tusschen de heuvels, onder het dichte lommer van de woudreuzen, daar ontdekken wij tusschen hooge rotsblokken een klein meertje.

Glashelder en heerlijk koud is het water en wij duiken en zwemmen naar hartelust. Maar o wee: als wij weer aangekleed zijn, moeten wij naar boven klauteren en als wij in het hotel aankomen, zijn wij, trots onze zwempartij, nog warmer dan toen wij vertrokken.

Dat is het eenige nadeel van mijn meertje. Op de verandah van het hotel staat een verrekijker. De reede is bezaaid met stoomschepen en zwermen jonken, onder ons de toppen van duizenden palmen, en in de verte aan den overkant van het water het vruchtbare staatje Wellesley, met zijn suiker- en tapioca-plantages.

Sluiten