Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laten we dat verraderlijke goed niet drinken, oom; we weten niet wat we ervan kunnen krijgen," zegt een oogenblik de neef verstandig tot z'n oom.

In z'n verbijstering wordt deze woedend, geeft hem een slag en ontwricht hem de kaak. En op nieuw werpt de oude zich op den wijn; de twee zoons werpen zich erop; ook de neef werpt zich erop om z'n pijn te vergeten. Al maar slurpend ledigen ze de vaten. Ze ledigen de vaten, ze vullen hun maag, ze benevelen hun verstand. Ze beginnen te zingen en te dansen. Ze dansen en dansen tot ze als levenlooze lichamen op 't strand liggen uitgestrekt. Wezenloos liggen nu de zwarte demonen ter neer!

Dan verlaat de prins z'n schuilplaats; hij kijkt onbevreesd naar de nikkers en glimlacht om hun beklagenswaardigen toestand. Hij verliest geen tijd, hij bindt hen stevig, belaadt hen met zware ketenen, werpt den ballast in 'tschip; snel gaat hij naar Livorno.

„Mijn volk is gered," denkt hij gedurende de heele reis vol vreugde.

De oude Koning zit op zijn gouden troon, verlamd van angst en wanhoop. Eenzaamheid om hem heen en rouw binnen in hem. Zijn gevolg staat bleek bij hem en hun blinkende wapenen beschermen zijn kostbaar leven. Maar hij, onrustig, wacht op één wapen en één raadgever: zijn zoon. 't Heldere glas van 't venster vóór hem laat hem beneden een drukke haven zien; een menigte zei-

Sluiten