Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de korenmaat en ging naar 't dorp om 't koren te meten. Er viel een fijne motregen toen hij op weg ging, maar hij liet er zich niet door weerhouden. De eerste herfstbuien, denkt hij, dat zal wel weer overgaan. Maar pas was hij op het punt, waar de weg naar boven gaat, gekomen, of 't gaat geweldig regenen; een ware stortzee! Waar moest hij nu schuilen? Geen boom, geen huis, geen holte rondom te zien. De halve weg lag nog voor hem als hij naar 't dorp üep; dezelfde afstand als hij naar 't schip terugging. Hij staat besluiteloos te peinzen, en eensklaps begint hij te lachen. Hij kijkt of er geen voorbijganger is die hem ziet: geen levende ziel te bekennen! Hijneemt vlug eén besluit, kleedt zich uit en staat daar als Adam. Z'n kleeren vouwt hij netjes op, stopt ze in de korenmaat, zet de maat op z'n hoofd en gaat verder, 't Kon hem niets schelen dat hij nat werd. Onze huid is niet bang voor regen en wind: die is gelooid. De rakker was bang voor z'n nieuwe kleeren die hij voor 't eerst aan had!

Na eenigen tijd hield de regen op. Hij haalt z'n kleeren te voorschijn, kleedt zich netjes aan, neemt de maat in z'n hand en gaat weer op weg. Voor hij bij het begin van 't dorp was gekomen, ontmoet hem de duivel.

„Goeiendag, landsman."

„Goeiendag, uw majesteit, meneer de duivel."

„Waar kom-je vandaan?"

„Van 't strand."

„En waar heeft de regen je overvallen?" „Onderweg."

Sluiten