Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heden heeft geen zeeman nog de deur van 't Paradijs gezien.

Ze zeggen dat de Hel eenvoudig een verschrikkelijke en afschuwelijke plaats is. Daar regent 't nooit, er groeit geen gras, nooit vliegt er een vogel door. Ze is omgeven door hoogegroote muren en heeft maar één ingang, een groote ijzeren deur. Toen de wereld pas bestond was de deur klein, want de menschen waren wijs en godvreezend en gingen dus regelrecht naar 't Paradijs. Maar langzamerhand namen in de wereld de ondeugden toe; de menschen werden slecht en boosaardig en gingen met scheepsladingen naar de Hel. Om ze binnen te doen gaan, wierp God ze echter hals over kop erin. De brave wachters sloopten den muur en openden een deur waar duizenden tegelijk door konden. Maar er komen zooveel menschen dat ze altijd alleen door dringen en vechten erin slagen binnen te komen. Met de vuist er op slaan, schoppen, plukharen: dat gaat alles maar z'n gang alsof 't niets is. Als de duivels er niet waren om ze van elkaar te halen, zou ieder wel zeventienmaal opnieuw sterven.

Toen de arme kapitein aankwam, kijkt hij oplettend toe: wat zal hij zien? De braafste menschen waren daar. De groote heeren in hun geheel met goud geborduurde kleeren en met hun plechtige gezichten. De priesters en bisschoppen met hun wijde mouwen en hun heilige amuletten op de borst; de monniken en abdissen; de godvruchtigen en zij die altijd trouw hadden gevast; de kruideniers die niet 't volle gewicht gaven, en de wijnverkoopers

Sluiten