Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Bovenwereld overtreft. Op dat oogenblik was hij stomdronken. Een man, mank, mismaakt, scheef, in lompen gehuld, haveloos — 't zal wel iemand uit Kravara zijn geweest — had nu al twee uren aan de deur staan kloppen en de heilige sleutelbewaarder had er niets van gemerkt. Eindelijk hoorde hij 't, vloekte twee, drie keer geweldig omdat ze z'n rust verstoorden, stond op, hinkeldepinkel en deed open om den haveloozen man binnen te laten. De kapitein verliest geen tijd en glijdt mee naar binnen. Hij krabbelt naar een hoek en ziet in de hoogte den Almachtige op z'n troon zitten. De zon straalde, de troon straalde van goud en edelgesteenten. Ter rechterzijde van den Almachtige zatChristusenrondomzijnGevolg, de twaalf Apostelen, op vergulde tronen. Daaronder uitgestrekt op 't dikke groene grastapijt zaten in groepjes de Heiligen en de rechtschapenen en de martelaren. En een plezier dat ze op dat oogenblik hadden! Ze hadden gegeten: maar wat voor eten! 't Paradijs rook verrukkelijk van de geuren ervan. En ze dronken een wijntje! - als robijn! David, de Profeet, je weet wel, speelde op de dther en de engelen zongen een deuntje: verrukkelijk! En ze maakten zoo'n lawaai dat heel die wereld ervan trilde.

De kapitein zag dat alles aan en vond 't vervelend, dat hij niemand had om mee te praten. Hij begon de duivels te verwenschen dat ze 'm niet in de Hel hadden toegelaten om daar dag en nacht te kletsen, maar 'm hierheen hadden gestuurd waar niemand hem begroette. Ten slotte kon hij zich niet meer inhouden. Hij gaat naar een bejaarden

Sluiten