Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GORGÓNA

Ik voer dien nacht op de schuit van kapitein Pharasis in volle zee.

Een zeldzame nacht; zoo een had ik nog nooit beleefd en zal ik ook nooit meer beleven, geloof 'k. Wat voor lading we hadden? Wat anders dan graan! Waar we heen gingen? Waar anders heen dan naar den Piraeus! Dat zijn twee dingen die me op z'n minst twintigmaal zijn gebeurd. Maar dien avond voelde 'k zoo'n zware last op m'n ziel drukken dat 'k 't gevoel had of 'k flauw zou vallen. Ik weet niet waardoor 't kwam, of 't de doodstille zee was, of de heldere hemel, of de doordringende zonne-gloed, ik kan 't niet zeggen. Maar 'k voelde zoo'n loodzware last op me, ik vond 't leven zoo wanhopig vervelend dat ik, als iemand me had beetgepakt om me in 't water te gooien, niet eens zou hebben geschreeuwd: neen!

De zon was al een poos onder. De goud-purperen wolkjes die bij den ondergang zich vertoonden, verspreidden zich aan den breeden horizon, stegen op, donker als reusachtige rookwolken. De avondster schitterde als een kristallen sneeuwvlok in de duisternis. Heel hoog kwamen een voor een de sterren te voorschijn, 't Water nam de donkerwitte, koele, aantrekkelijke staalkleur aan. De scheepsjongen stak de lantarens aan op hun plaats; de kapitein ging naar beneden om te slapen; Bóélberis zat aan 't roer; Brachamis, onze hond, rolde zich op onder de windas om ook te gaan slapen. Ik kon niet gaan rusten, 'k Was tusschen slapen en

Sluiten