Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met zwakke stem in zichzelf zeide: „Waar ben je, Manólis, arme kapitein? Waar ben je, Manólis?" Hoe kon hij dan rust zoeken of vinden? Hij liep met groote stappen 't dek op en neer van den voorsteven tot den achtersteven als een leeuwinde kooi; nu eens sprak hij hardop in zichzelf, dan weer maakte hij in 't wilde weg gebaren met zijn handen, trok zich aan zijn haren, sloeg zijn hoofd tegen 't hout en vloekte steeds over zijn lot en zijn beroep.

Op den schoener waren alle zeilen bijgezet. Vier kluivers vóór en vijf zeilen aan den fokkemast; drie stagzeilen in 't midden en een ra-zeil en een vlieger aan den bezaansmast. Toch bleef 't schip onbeweeglijk als in zwaren slaap liggen, 't Leek wel of 't wortel had geschoten in den bodem en zou gaan kiemen. Een zware loomheid heerschte rondom, over mensch en schip, over zee en hemel. Donkerbruine gescheurde wolken hingen hier en daar als reusachtige spinnen en een aschrood stof lag ijl over 't land en de zee. Af en toe kwam er wat beweging in door een windstoot, de zeilen hielden bij den wind, en we sneden door de zee onder een zacht en eveneens loom gemurmel aan weerskanten. Daarna viel de wind, de zeilen golfden langzaam heen en weer, de touwen sprongen los en sloegen tegen 't dek aan, tot ze ten laatste onbeweeglijk, dood bleven hangen. En kapitein Kremydas mompelde steeds tandenknarsend van woede:

„Vooruit, voor den duivel 1 't eene oogenblik doet hij ons bijna zinken en 't andere oogenblik moeten we zeil minderen. Je moet maar voor alles klaar staan."

Sluiten