Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Stil, kapitein, zoo meteen neemt de zuidenwind toe," zei Barbatrimis, „kijk maar eens wat een muur bij heeft gemaakt bij Tsirigos!"

Inderdaad stapelden zich in 't zuiden donkerroode wolken in lagen op elkander. En daarachter schoot de ondergaande zon bundels stralen, tusschen met franje bezette spleten, tusschen donkergele of bloedroode grotten door, en baadde de schepping in hebt en kleuren. De witblauwe zee weerspiegelde de schaduwen van de eilanden en werd door destroomingen doorsneden als een groot krijtveld, omringd door wegen en paden. En de eilanden, Müos en Erimómilos met dewildegeiten; daarachter Siphnos en Sérphos met de gevlekte ezels; verderop Naxos met de Varavaden en Paros met 'tmarmer; 't bultige Pólyvos en Kimolos dat gelijkt op een salamander; Sikinos en Pholégandros aan dezen kant, en onderaan Jerakóénia afzonderlijk, als een groote steen drijvend over de golven: alle eilanden namen één kleur aan en straalden er duizend uit; een straal viel op de steentjes aan het strand en de rotsblokken op den berg, op de puinscherven van den weg en 't gras van de berghelling en sprong eruit op als een goudroode verblindende vlam. 't Eene eiland had een wolkje op zijn bergtop, 't andere een nevelgordel om zich heen, hier zag er een saf raankleurig uit, ginds was er een met een burcht bekroond, en een eind verder vertoonde zich een heel wit dorpje, als een handvol sneeuw die vergeten achtergebleven was in een kuil. En ver weg in zee, in een ijlen nevel, gingen lanazaam de schepen in rechte lijn voorbij en de

Sluiten