Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vooruit, haal mijn geweer," riep hij plotseling; „haal mijn geweer, dan kan ik zijn bloed drinken!"

Ik wou gaan doen wat hij vroeg; maar hij had geen geduld: met groote stappen ging hij over 't dek, kwam vóór mij aan zijn hut, rukte 't roestige geweer van de wand en op de trap, zonder te mikken, vuurde hij 't af op den vogel. Een geluid werd gehoord, maar verder niets. De haan viel neer, maar 't slaghoedje ketste. Wij stonden stijf van schrik, 't Eene onheilsteeken na 't ander! Alles ging vandaag verkeerd. Kapitein Kremydas had wel gelijk toen hij zei: „Of op 't schip of thuis, zal er een groot ongeluk gebeuren!..."

Bij dat geluid vloog de uil wel weg, maar hij vloog niet zoo ver dat hij ons verliet en voor ons verdween: hij fladderde steeds maar om 't schip heen, sneed door de lucht met zijn schaarvormige vleugels, ging zitten in 't want, pakte zich stevig eraan vast, en stiet plotseling, met hooge borst en den hals tusschen de schouders gedoken, een schrillen kreet uit die ons bloed deed stollen: „Koekoewaoe, — koekoewaoe, — waoe!..."

De zon was nu onder en in 't westen zag je alleen nog maar bloedroode wolken en een vuurrooden nevel opstijgen als de weerschijn van een grooten brand en licht overgaan in 't blauw van den hemel. Verderop bij Tsirigos bouwde de zuiden wind, knap bouwmeester als hij is, een muur: hij stapelde pikdonkere wolken, ruw als steenblokken, op elkaar als basis, in 't midden helderder tinten, bovenop donkerblauwe; en over de golvende randen, de torens en schietgaten breidde hij een breed

Sluiten