Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gouden lint uit en daarboven nog een zilveren en heel bovenaan zette bij als vlag de avondster om zijn luisterrijken roem te bestralen. Van achter dien van lucht gebouwden muur zond bij de eene windvlaag na de andere af, in afwachting van 't oogenblik dat bij met zijn gansche heirleger kon losbarsten en alles neerwerpen.

Maar ook de zee begon dien wind te voelen: onze zeilen zwollen, 't schip kwam weer in beweging. Barbatrimis die steeds peinzend 't bouwen van dien muur had gevolgd en overal rondkeek, als een jachthond die de lucht insnuift, zei plotseling tegen den kapitein:

„Kapitein Kremydas, de zuidenwind zal ons een bries brengen; ik vind dat we een paar zeilen moeten laten zakken."

Maar de kapitein, met zijn gedachten bij den vogel, zei onverschillig:

„Kom! 't Is een zomerwindje; laat dat maar gaan..."

De kapitein was een beste man. Maar je moest hem niet nijdig maken. Heb je hem boos gemaakt: blijf dan een eind van hem vandaan. Zoo is immers ook de noordenwind in den eersten tijd op zijn ergst: zie dan zoo gauw mogelijk in een haven te komen, anders is 't mis! — Nu was de kapitein woedend om den vogel.

„Als ik niet je bloed drink, dan zullen ze me niet kapitein Kremydas noemen," riep hij en wierp zijn roode muts op den grond.

Dadelijk verwisselde hij 't slaghoedje en deed 't kruit erin. Toen gaf hij 't roer aan den ouden man

Sluiten