Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

badend in dat magische licht, bedriegelijk uit: ze leken wel de eilanden der Gelukzaligen.

De vogel had ons gebracht onder Erimómilos en wij zagen op den burcht van Milos en verder op in de Kretensische wateren lichten op 't water dansen als gouden slangen; twee groote lichtplekken stortten zich uit als rivieren van vuur en bereikten 't schip zoodat 't leek als of 't dat zou aansteken. Van den tegenovergelegen kant gleed 't licht van de maan neer en streek met zilveren tongen langs den geteerden romp van 't schip, viel op 't dek, de roestige kettingen en 't lichte zeildoek, de mastklampen en de sloepstanders, de kabels en hijschtouwen en pinnen, steeg omhoog langs de masten met hun zware last van ijzer en touwen, viel op de zeilen, gleed door de stangen, wierp hcht op 't een en schaduw op 't ander; men kon het schip houden voor een reusachtige lehe ontsproten in de zee.

De wind nam steeds meer toe; hij floot door de zeilen met allerlei geluiden, vanaf 't woedende gehuil van een troep jakhalzen en wolven tot 't liefelijke zingen en 't dartele gekweel van een herdersfluit. Barbatrimis luisterde peinzend naar 't gefluit en op 't oogenblik dat de kapitein hem naderde zei hij weer onrustig:

„Kapitein Kremydas, de zuidenwind wordt sterker; ik vind dat we een paar zeilen moeten laten zakken, anders zal hij ons vernielen."

„Doe wat je wilt," was 't antwoord.

Vermoeid, bezweet, leunde de kapitein hijgend op 't dolboord en liet het geweer achteloos op den

Sluiten