Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij schreeuwend en klapwiekend weer op 't schip, daalde neer op den vlieger, toen op de ra, krijschte weer en begon zijn zonderlinge kringvlucht opnieuw.

„Weg van mij, duivell" zei de arme kapitein.

„Ik laat mijn hoofd afhakken, dat die verzoeking eigenlijk geen vogel.is," zei op een gegeven oogenblik Barbatrimis; „neem 't geweer in je linkerhand, zeg 'k, dan kan hij 't je niet afnemen... Hoor-je niet hoe de hond al een uur ligt te grommen?" ...

Werkelijk lag Pistós, onze hond, op den voorsteven, in elkaar gedoken alsof hij zich zoo klein mogelijk wilde maken, met z'n staart tusschen z'n pooten, z'n kop op zijn voorpooten, en hangende ooren, opende z'n oogen en deed ze weer dicht en gromde daar hij niet durfde te blaffen omdat er een boos spook was. Wij werden nu ook bang en begonnen telkens een kruis te slaan. De een kuste z'n amulet, een ander stak een kaars van den epitaphios in z'n zak, een derde neuriede godsdienstige liederen. Toen de kapitein zag hoe de hond deed, sloeg hij een kruis en greep met z'n linkerhand den trekker.

Eindelijk kwam er een oogenblik waarop we meenden dat 't uit was met de ellende. Blijkbaar vermoeid begon de uil nu langzaam te vliegen, daalde en streek plotseling neer op 't dek.

„Raak 'm!" riepen we als uit één mond.

Maar voor de kapitein z'n hand kon uitstrekken, verdween 't beest voor onze oogen als kwikzilver.

De kapitein ging ons uitschelden dat wij hem niet

Sluiten