Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men besprenkelt hem met water, tilt hem op: niets hielp. Men brengt hem in de cel van den priester. Daar opent hij half de oogen, kijkt even naar 't beeld van den H. Nicolaas en blijft stijf liggen. De oude man was dood.

Ik ging naar buiten; wat zou 'k gaan doen? Ik ging op weg naar de landingsplaats. Nog voor 'k beneden was gekomen, wist iedereen dat de oude Marinos Kondaras gestorven was van verdriet over 't verlies van zijn lieve Lemoni.

Ik nam een stoel en ging dicht bij de zee mijn nargilè zitten rooken. Onderwijl kwam kapitein Thanasis voorbij en groette me. Hij kwam dikwijls naar den overkant om ons visch te brengen, ik kende hem wel. 'k Schonk hem een glas masticha; hij was in zijn nopjes en zette zich eens goed neer. Wetend dat één glas voor hem niets was, bestelde 'k een tweede, en toen begonnen de gedronken glazen te spreken om te maken dat er nog meer kwamen.

Hij had nooit gebrek aan praatjes, die kapitein Thanasis. Nü had hij de aanleiding nog meer voor 't grijpen — den ouden Marinos Kondaras, den zeebonk van de Muskuseilanden voor wien eens 't Oosten beefde.

„Laten we bij 't begin beginnen," zei de kapitein en bij begon:

„Ik was nog een aap van een jongen, scheepsjongen op 't schip van kapitein Manólis (God hebbe zijn ziel), toen op zekeren dag 't schip van Marinos Kondéras kwam. God weet waar ze hem vandaan hadden verjaagd; hij zocht hier een aaatie

Sluiten