Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De heilige God zij je afgestorvenen genadig, meisje; ik hoor de wereld, maar 'k zie de wereld niet; heb meelij en geef me een aalmoes."

De deur gaat open en 't meisje strekt haar hand uit met een stuk brood.

„God zij je afgestorvenen genadig," mompelt Marinos weer en springt naar binnen. Lemoni herkende hem dadelijk en viel flauw.

Marinos had geen tijd te verliezen. Hij kijkt om zich heen, haalt zijn zakdoek te voorschijn, stopt dien in haar mond, neemt haar op zijn schouders, gaat over 't erf, springt over den achtermuur midden in een hoop rommel, toen op een akker, daarna op een tweeden akker, gaat daar zitten onder een boom en besprenkelt haar met oranje-water dat hij bij zich had; zij doet haar oogen half open, Marinos ziet dat er geen reden tot ongerustheid is, stopt den zakdoek weer in haar mond, en nu gaat 't rechtdoor naar 't schip.

De makkers wachtten met hun hand aan den riem. In een uur tijds waren ze in Kalochóri. Onderweg kwam 't meisje bij, maar God weet in wat voor toestand ze was. Marinos hield haar vast als een moeder haar eerstgeborene. Hij sprak tegen haar, beloofde van alles, vleide, zei geen ruw woord, deed niets ruws. Langzamerhand begon 't meisje rustiger adem te halen, alsof haar hart iets zei dat haar kalmer maakte. Maar plotseling denkt ze aan thuis, aan haar broer, haar dorp, en aan de schande, o de schande van 't spotliedje dat zij op haar zullen maken 1 Weer flauwvallen, weer oranjewater en getob. Toen ze was bijgekomen, begint

NGN3

Sluiten