Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeg er nog eens wat van op, ik ben dol op die dorpshyacinthen. Jullie vinden er niets aan, beste kinderen, maar jullie weten niet wat een schat je erin hebt! O, 't dorpsleven dat is pas je ware! Hoe zou je zoo'n avond kunnen hebben in de stad! Hoe zou je daar zulke geurige liedjes kunnen hooren! Ik zal ze leer en, ik zal die liedjes ook leer en, ik kan er niet meer buiten."

En ze begon dadelijk zachtjes te zingen op een van de dorpsmelodieën:

Cypresje slank, buig tot mij neer, ik heb u iets te zeggen! Tweewoorden zijn 't en daarna mag men in 't graf mij leggen.

En de meisjes, die even verrukt waren als zij zelf, aan 't lachen!

„Wat zingt ze mooi, die leuke ziel, net alsof ze in 't dorp geboren was!" riepen ze uit.

„Wel, ben ik dan niet op een dorp geboren? Ze hebben me, toen 'k nog heel klein was, naar de stad gebracht, ik had geen moeder en geen vader meer. Mijn beste oom, de priester Festas, nam me mee naar de stad en voedde me op. Ik herinner mij mijn arme moeder alsof 't gisteren was. Kijk, zoo zag ze eruit. Iedereen zegt altijd dat 'k op haar lijk."

En ze neemt een hoofddoek en bindt dien om haar hoofd, en kijkt ze aan met een zachten en peinzenden blik. 't Was een echt schilderijtje!

De boerinnetjes zitten haar aan te kijken, ontroerd en zonder iets te zeggen; een paar hadden tranen in de oogen.

Sluiten